Nieuws

Home

Zoek!

Biopolitiek Nieuwsbrief

[Biopolitiek] Volledig

Teksten

Genomics
Nanotechnologie
Voortplantingstechnologie
Transplantatie
Biomateriaal
Bio-ethiek
Genetische verbeteringstechnologie
Euthanasie
'Over'bevolking
Biologisch determinisme
Mens & Machine
Marktwerking in de zorg
Bedrijven
Akties

Werkplaats Biopolitiek

Over Werkplaats Biopolitiek

Verder lezen

Kalender
BioBrief, oude uitgaven
Biotechnologie archief NoGen
Helix publicaties
Recensies
Links

Discussie

Mail ons

Archieven

01 Jan - 31 Dec 2005

Colofon

Werkplaats Biopolitiek
Burgtstraat 3
6701 DA Wageningen
tel.: 0317 - 423588
fax: 0317 - 450144
info(at)biopolitiek.nl

De inkomsten van de werkplaats bestaan voornamelijk uit giften. Wij kunnen uw steun erg goed gebruiken. Giften kunt u storten op:
giro: 1729278
van NoGen in Wageningen.

Aftrekbaar van de belasting zijn giften aan de stichting Diskussie over Biotechnologie (stg DOB), de rechtsvorm waar Werkplaats Biopolitiek onder valt. Het gironummer van stg DOB, eveneens in Wageningen, is 3087127.

Werkplaats Biopolitiek is een onderdeel van het Politiek Infocentrum Wageningen. Andere groepen die er werkzaam zijn zijn: het inheemse volkeren archief 'de Ekster en de Olifant', 'illegalen' ondersteuning en opvang 'Vluchtelingen Onder Dak', Biotechnologie archief NoGen en 'Werkgroep Xenotransplantatie Vraagstukken'.
Wilt u eens komen kijken, mail of bel even voor een afspraak.

Maillijst: nieuws(at)biopolitiek.nl

04 02 05 6418 W H5. VROUWEN, NATUUR EN VRUCHTBAARHEID

Het debat over bevolking en de ecologische draagkracht van de aarde


In een wereld waarin de natuur steeds meer door menselijk ingrijpen veranderd, gemanipuleerd en vernietigd wordt, blijven ook vruchtbaarheid, het baarvermogen van vrouwen en hun kinderwensen niet vrij van allerlei ingrepen en ontwikkelingen die gericht zijn op controle. Door steeds meer regeringen wordt gestreefd naar een getalsmatige beheersing van de bevolkingsomvang: het aantal mensen, ontstaan uit individuele kinderwensen, moet afgestemd worden op  nationale economieën en milieu-eisen. In de landen waar het landschap bepaald wordt door hoog-geïndustrialiseerde landbouwbedrijven, asfaltwegen voor het verkeer, in goede banen geleide en gestuwde rivieren, wil men ook de omvang en de kwaliteit van de bevolking die in deze omgeving leeft en werkt onder controle hebben. Nog noodzakelijker schijnt dit te zijn in de gebieden waar de laatste bossen, moerassen en rivieren het slachtoffer van menselijk ingrijpen dreigen te worden en waar woestijnen zich uitbreiden. Des te meer het leefmilieu op maat gesneden is, des te luider wordt de roep om een geplande bevolking.

Zoals de mens de natuur om zich heen vervormt, controleert en vernietigt, zo probeert hij ook invloed uit te oefenen op z'n eigen natuur en op de kwantiteit en kwaliteit van het nageslacht. Hiervan zijn voornamelijk vrouwen de dupe. Met telkens nieuwe experimenten op vrouwenlichamen, uitgevoerd door gyneacologen en genetici, wordt ernaar gestreefd kinderen nauwkeurig te plannen en hun kwaliteit te perfectioneren.

Verwekking, voortplanting, zwangerschap en geboorte zijn organische processen die altijd, de gehele geschiedenis door en in elke samenleving, beïnvloed worden door een veelvoud aan voorstellingen, mythen, taboes en kennis. Op dit fundament van kennis zijn de hedendaagse technieken en mogelijkheden, bijvoorbeeld rondom geboortencontrole of -verlichting, gebaseerd. Terwijl in de gendustrialiseerde landen zowel de kennis als ook de techniek zich momenteel vergaand in handen van artsen bevindt, hadden in veel samenlevingen vrouwen daar zelf beschikking over met behulp van zogenaamde "wijze vrouwen" of vroedvrouwen. Het karakter van de ingrepen die op vrouwenlichamen worden uitgeoefend is, net als de ingrepen in de natuur, in iedere maatschappij verschillend. Zo kan hulp bij een geboorte bestaan uit een verdovingsprik in de rug die door een arts toegediend wordt terwijl de vrouw op een gynaecologische stoel ligt; maar het kan ook door samen met de barende vrouw ritmische cirkelbewegingen vanuit het bekken te maken. Het ene hoeft niet vooruitstrevender te zijn dan het andere. Er ligt alleen een geheel ander begrip van de eigen natuur en handelswijze aan ten grondslag.

In dit artikel zal geprobeerd worden de samenhang tussen vrouwelijke vruchtbaarheid en ecologische omstandigheden te verduidelijken. Hierbij zal getoond worden dat zowel de verhouding van vrouwen tot hun eigen natuur, hun lichaam, als ook tot de buitenwereld, gevormd wordt door de samenleving waarin zij leven. Noch de relatie van vrouwen met hun lichaam, noch die met hun omgeving is een 'natuurlijke' relatie, maar wordt door vrouwen zelf gevormd, waarbij de sociale situatie een grote rol speelt. Omgevingsfactoren zoals bevolkingsontwikkeling zijn daarom een uitdrukking van de menselijke relaties met hun 'interne' en 'externe' natuur. Zodoende zijn geboortenregeling en bevolkingscontrole geen technische, maar politieke problemen; bepalend voor het kindertal zijn niet de beschikbare voorbehoedmiddelen, maar de sociale omstandigheden waaronder vrouwen kinderen krijgen; niet de bevolkingsomvang bepaalt de toestand van het milieu, noch de technologische mogelijkheden om de natuur te bewerken, maar de manier waarop mensen de warenproductie organiseren en uitvoeren.

De in het europese Verlichtingsdenken verankerde ambivalente relatie met de natuur, heeft ook een tegenstrijdige houding ten opzichte van het vrouwelijke baarvermogen teweeg gebracht. In de filosofie van de Verlichting wordt  de natuur beschouwd als tegenpool van de menselijke beschaving (zie ook Mertens 1991, blz. 31). De stereotypering van de vrouw als moeder en baarster, waarbij zij tegelijkertijd gereduceerd wordt tot 'natuur', behoort tot deze denktraditie. Het baarvermogen stelt een zuivere belichaming van het natuurlijke van de vrouw voor en is het tegenbeeld van het Verlichte, rationele mannelijke individu. Zwangerschap en geboorte worden, evenals het geven van borstvoeding, niet als sociale gebeurtenissen ervaren, maar als biologische.

De symbolische en mythologische verheerlijking van het vrouwelijk baarvermogen en van de natuur in sommige radicaal-feministische literatuur, in het bijzonder in het ecofeminisme, staat in zekere zin nog in deze traditie van de Verlichtings-filosofie (vergelijk Mertens 1991, blz.72). Het ecofeminisme zoekt vanuit het baarvermogen van vrouwen een verklaring voor het 'dichter bij de natuur staan' van vrouwen en de andere manier waarop vrouwen omgaan met de natuur. Hiermee bevestigt het ecofeminisme het zogenaamde fundamentele, universele verschil tussen vrouwen en mannen (zie Mies 1988, blz.67). Aan vrouwen wordt toegeschreven dat zij 'van nature' ecologisch werken, terwijl de vernietigende kracht van de moderne produktiemethoden voort zou vloeien uit de voor mannen karakteristieke interactie tussen de natuur, technologie en gereedschappen.

Precies tegenovergesteld aan het ecofeminisme, wordt de verhouding van "vrouwen, natuur en baarvermogen" in de ideologie van de family-planners beoordeeld: vrouwen worden beschouwd als wezens die overgeleverd zijn aan hun 'natuurlijke' baarvermogen. De talrijke geboorten worden gezien als een quasi natuurlijke groei en daarmee als oorzaak van een ongecontroleerde bevolkingstoename die op haar beurt een gevaar voor het milieu betekent. Onwetendheid van vrouwen in ontwikkelingslanden, tradities en patriarchale verhoudingen gelden als oorzaken van deze ellende.

Als oplossing wordt vrouwenemancipatie naar westers model gepropageerd. De eerste stap hiertoe is de invoering van moderne anticonceptie-middelen zodat vrouwen hun kindertal kunnen beperken. Emancipatie betekent hier vooral de controle over de eigen natuur en wordt zo tegelijkertijd ook een middel voor bevolkingscontrole. De medische beheersing van de vruchtbaarheid van vrouwen lijkt een voorwaarde te zijn voor controle over de bedreigde natuurlijke hulpbronnen. Vruchtbaarheidsbeheersing wordt middel voor milieubescherming. In het Wereldbevolkingsrapport van 1988 staat het als volgt omschreven: "Vrouwen spelen zowel bij de bevolkingsontwikkeling als bij het in stand houden van de natuurlijke hulpbronnen een centrale rol... Veelbelovende programma's, of dat nu gaat om bevolkings- of milieukwesties, richten zich daarom in eerste instantie op vrouwen" (Wereldbevolkingsrapport 1988, blz.4)

De vrouwelijke biologie, gedefinieerd als haar baarvermogen, wordt of geïnterpreteerd als universele oorzaak van vrouwenonderdrukking, of als hetgeen dat mogelijk een oplossing kan bieden voor "bevolkings- of milieukwesties". Een genuanceerde analyse van de verbanden tussen levensomstandigheden van vrouwen, hun kinderwensen en ecologische omstandigheden blijft uit.

Vrouwen en ecologie I:
Milieuvernietiging en het nieuwe moederschap

Het lijkt erop dat toenemende milieuvernietiging juist vrouwen meer werk en zorgen brengt. Zij zijn het die de kinderen en familie proberen te beschermen voor de schadelijke milieuvervuiling en die zo voorzichtig en zuinig mogelijk om moeten gaan met levensmiddelen en grondstoffen . Het wordt lastiger dagelijks gezonde levensmiddelen te krijgen en pogingen milieuvernietiging tegen te gaan middels een andere omgang met hulpbronnen, veroorzaakt bijna altijd meer werk en toestanden.

In de geïndustrialiseerde landen betekent dit dat levensmiddelen duurder, in biologische winkels, gekocht moeten worden. De kinderen moeten meer in de gaten gehouden worden zodat hen geen ongelukken overkomen door het verkeer op straat of door giftige stoffen in het milieu. Voor de voeding van zuigelingen moet mineraalwater aangesleept worden omdat het leidingwater soms besmet is met nitraten. De poging om milieubewust te leven betekent dus nieuwe opgaven. Daartoe behoort bijvoorbeeld het bijhouden van een composthoop, het omslachtig scheiden van afval, het vermijden van kant-en-klaar maaltijden of de vergaande pogingen af te zien van wegwerpluiers en het gebruik van de auto.

Dit alles staat in ogenschijnlijke tegenspraak met het verlangen van vrouwen in de industrielanden naar economische en sociale gelijkberechtiging en het recht op een eigen inkomen en beroep. Immers, zonder wegwerpluiers, kant-en-klaar maaltijden en een tweede auto kunnen buitenshuis werkende moeders het dagelijks leven nauwelijks klaarspelen. Andere vrouwen hebben daarentegen om economische redenen geen andere keus dan bij de goedkoopste winkel inkopen te doen, af te zien van een auto, de kinderen bij oma af te leveren en buitenshuis te gaan werken. In beide gevallen betekent loonarbeid onder de gegeven omstandigheden, een directe inpassing in het milieuvernietigende en het mensvijandelijke produktiesysteem, waarbij de thuiswerkende huisvrouw en moeder als op een eiland zit en alleen met dit systeem verbonden lijkt door de bonte wereld van consumptie-artikelen.

De moeilijkheid om kinderen in een kindvijandige omgeving op te laten groeien en het conflict tussen enerzijds de poging milieubewust te leven en anderzijds economisch en sociaal onafhankelijk te zijn, vormen redenen voor vrouwen in de industrielanden om maar weinig kinderen te kunnen en willen krijgen. Ook de angst kinderen op de wereld te zetten in een steeds meer vervuilde omgeving, speelt een rol bij het plannen van de verdere levensloop. Desondanks zijn het juist de consumptieprodukten voor een kleine groep maatschappelijk gewenste kinderen uit de gendustrialiseerde landen, die een niet te onderschatten milieuvervuiling veroorzaken: iedere zuigeling laat een berg van ongeveer 5000 plastic wegwerpluiers achter, die niet gerecycled noch afgebroken kunnen worden. Daarnaast is er het verpakkingsmateriaal van de luiers, babybadschuimflessen, allerlei flacons, in aluminium verpakt babyvoeding enzovoorts. Bij het berekenen van milieuvervuiling en -uitputting zouden ook nog zaken opgenomen moeten worden als de energie en grondstoffen die nodig zijn voor de produktie van de babyuitzet: kinderwagens, autozitjes, draagzakken, rugzakken, plastic teiltjes, kinderbedjes, knuffeldieren en de bonte plastic wereld van het kinderspeelgoed. De toenemende milieubelasting wordt echter niet geweten aan de vervuiling van kinderen uit de industrielanden. In tegendeel, ter verhoging van de economische stabiliteit van het Noorden zijn ze gewenst en worden eerder met nog meer bescherming en verspilling grootgebracht, om zo te voldoen aan onze produktiemaatschappij. Van conservatieve zijde wordt de Europese middenklasse-moeder aangespoord tot het krijgen van meer kinderen, want er dreigen, naar men beweert, problemen door vergrijzing en het slinken van de bevolkingsomvang in de economisch zwakke gebieden: bij een bevolkingafname op het platteland van de industrielanden, zouden natuurbeschermende maatregelen niet meer uitvoerbaar en rendabel zijn wanneer boerderijen verdwijnen en dorpen leeglopen.

Vrouwen en ecologie II: Slachtoffer of schuldige ?
Terwijl in de industrielanden de reactie van veel vrouwen op vervreemding van de natuur en op de kind- en levensvijandige omgeving, bestaat uit een nieuw 'moederschap met eco-touch', vindt men dat vrouwen in ontwikkelingslanden het milieu moeten redden d.m.v. emancipatie en het afzien van kinderen. Steeds opnieuw suggereren krantenartikelen, televisiereportages en zelfs oproepen van grote milieu-organisaties een samenhang tussen het aantal kinderen en de milieuvernietiging in Afrika, Azië, en Latijns-Amerika. De beelden van ondervoede kinderen in de vluchtelingenkampen van Afrika of bedelende jongetjes in de straten van Calcutta of Rio de Janeiro moeten voor zich spreken. Keer op keer worden berichten over verwoestijning, het kappen van regenwoud en water- en luchtvervuiling in de groeiende metropolen van het Zuiden, in verband gebracht met de bevolkingsaanwas. Vrouwen, en dan uitgerekend de arme vrouwen, kleine boerinnen, dagloonsters en krottenwijkbewoonsters, worden er op deze manier voor verantwoordelijk gesteld. Het wordt hen verweten dat ze brandhout verzamelen, om dit vervolgens in de groeiende steden van het Zuiden te verkopen, waarmee ze proberen een inkomen te verwerven. Wanneer zij proberen op ecologisch ongeschikte grond akkerbouw uit te oefenen, bijvoorbeeld op extreem aflopende hellingen, in droogte- of respectievelijk vochtige gebieden, wordt hen dat eveneens voor de voeten geworpen. Maar zolang andere manieren om inkomsten te krijgen mislukken, blijft er voor hen geen andere keus over dan zelf bij te dragen aan de vernietiging van hun directe leefomgeving. Van alle dingen waar de vrouwen in het Zuiden van beschuldigd worden is het grootste verwijt dat ze "te veel" kinderen op de wereld zetten.

Hoewel juist de vrouwen in ontwikkelingslanden hun kinderen grootbrengen met slechts een fraktie van wat in de industrielanden gebruikt wordt aan energie en andere hulpbronnen, worden zij aangeklaagd voor milieuvernietiging. Ook zijn zij degenen die met name getroffen worden door de vervuiling. Wanneer zij als arbeidsters op thee- of bloemenplantages, in de textiel- of leerindustrie met gif en pesticiden geconfronteerd worden, heeft dat immers directe gevolgen voor hun gezondheid en die van hun kinderen. Nog dramatischer wordt milieuvernietiging ervaren in gebieden die door atoomafval en atoomproeven zijn besmet. Hier lijden de mensen aan onvruchtbaarheid, krijgen vrouwen miskramen of kinderen met genetische afwijkingen. Zij en de kinderen worden vaker getroffen door kanker dan elders. Deze berichten krijgen we niet alleen te horen uit Tsjernobyl, maar bijvoorbeeld ook van vrouwen van de eilanden in de Stille Oceaan, van Canadese indianen en van vrouwen uit het grensgebied van China en de voormalige Sowjet-Unie.

Milieuvernietiging betekent voor vrouwen uit het Zuiden - nog veel concreter dan bij ons - een bedreiging van het dagelijks leven. Daar waar niets meer groeit omdat de bodem geërodeerd is, de waterbronnen opgedroogd en de speurtocht naar brandhout en voedsel voor de dieren steeds verder van huis gaat, wordt milieuvernietiging een kwestie van overleven. Ook hier betekent dit steeds meer werk, vooral voor vrouwen. Water halen, brandhout verzamelen, werken op het land, de noodzaak extra inkomsten binnen te halen (bijv. door brandhout te verkopen); alles kost meer tijd, kracht en energie. In deze situatie kan het hebben van kinderen een verlichting van het werk betekenen. Weliswaar neemt de vrouw met haar zwangerschap een extra belasting op zich, maar de kinderen helpen al op jonge leeftijd bij het water halen, verzamelen van brandhout, huishoudelijk werk, het oppassen op jongere kinderen en ook bij extra klusjes waarmee meer inkomen verworven wordt. Kinderen gelden nog steeds, al lijkt dat af en toe niet realistisch, als verzekering voor de oude dag, ziekte of als hoop op een eventueel betere toekomst.

Onzekere levensomstandigheden, de achterstelling van vrouwen, het ontbreken van een zelfstandige economische positie en daarbij ook nog de milieuproblemen, laten voor vrouwen in het Zuiden weinig mogelijkheden open voor een uitgebreide levensplanning waarbinnen ook het plannen van een gezin een rol zou kunnen spelen. Kinderen vervullen veel meer een rol in de strategieën die gericht zijn op het dagelijks overleven. Bij vrouwen in het Noorden is de daling van het kindertal daarentegen het gevolg van het niet kunnen combineren van moederschap en betaald werk, en heeft tevens te maken met de weinig kindvriendelijke omgeving. Maar noch het milieumanagement van de Europese huisvrouw (bio-winkel, eco-luiers, en afval sorteren), noch de overlevingsstrategieën van de kleine boerinnen en loonarbeidsters in de ontwikkelingslanden zullen de aarde kunnen redden. Zij zijn immers gebonden aan een wereldeconomie, waarin grondstoffen en goederen ongelijk verdeeld en verspild worden en het milieu meer beïnvloed wordt door de heersende produktiesystemen van industrie en landbouw, dan door het individuele engagement van consumentes en kleine producentes.

Zo zullen energiebesparende ovens, bio-gas constructies en zonne-energie fornuizen geen compensatie bieden voor de bodemvernietigende exportlandbouw van het Zuiden en de industriële projecten die vanuit ecologisch oogpunt zeer bedenkelijk zijn.

Ook in de industrielanden verstaat men onder "milieubeschermende politiek" vooral oproepen aan individuele consumenten: energiezuinig stoken, milieubewust boodschappen doen en afval sorteren. Een koerswijziging van de industrie, de invoering van ecologische landbouw of een andere verkeerspolitiek blijven ook in het Noorden uit. Vrouwen worden op deze manier gereduceerd tot 'beheersters der gebreken' die de verantwoordelijkheid dragen om de laatste resten van de natuur te behouden en te onderhouden, terwijl de werkelijke oorzaken van de milieuvernietiging halfslachtig aangepakt worden (zie ook Wichterich 1992, blz. 82).

Biologische concepten voor een maatschappelijk probleem
Binnen het publieke debat over bevolkingsgroei in de ontwikkelingslanden wordt ieder kind, gebaard door een vrouw uit het Zuiden, gezien als extra milieubelasting. In de invloedrijke mediaberichten over de milieuproblemen, wordt eenvoudigweg het groeiend aantal mensen tegenover de voorhandenzijnde natuurlijke hulpbronnen gesteld: de houtvoorraad van de bestaande bossen, de waterreservoirs en de bebouwbare akkervelden worden berekend. Er wordt gewaarschuwd dat met de stijgende levensstandaard en consumptiebehoeften het bronverbruik per hoofd van de bevolking in de Zuidelijke landen nòg verder zal stijgen en de behoeftenbevrediging van mensen steeds moeilijker wordt.

Men is het erover eens dat een consumptie-niveau zoals die in de gendustrialiseerde landen, om ecologisch redenen niet te verwerkelijken is voor alle mensen ter wereld. Zo'n verbruiksniveau is bij een verder groeiende wereldbevolking al helemaal onmogelijk. Maar dit leidt in geen geval tot het ter discussie stellen van de levensstijl en produktiemethoden in de geïndustrialiseerde landen. In tegendeel, het ontketent een oproep tot geboortenbeperking voor de vrouwen in het Zuiden.

Aan zo'n voorstelling ligt een puur biologisch idee ten grondslag over ecologie. Mensen worden slechts als individuen gezien. Mensen worden niet beschouwd als in een gemeenschap levend, in een samenleving met een bepaalde sociale orde die hun mogelijkheden tot economisch handelen en consumeren meebepaald. Overeenkomstig wordt ook de voortplanting van de mens opgevat als een zuiver biologisch proces, dat niet door regels van de samenleving, maar slechts door moderne voorbehoedstechnieken te controleren valt.

In de biologie staat het begrip "populatie" voor een bepaald aantal levende wezens (ratten, microben, muizen...), die in een zeker territorium onder desbetreffende omstandigheden kunnen overleven. De draagkracht van dit territorium wordt alleen bepaald door de zogenaamde natuurlijke omstandigheden; niet door de manier waarop de "populatie" daar leeft. Deze zienswijze uit de biologie wordt overgedragen op de menselijke samenleving. Pierre Odum (1980), de auteur van een standaardwerk over ecologie, beschrijft de mensen equivalent aan "parasieten" (zie blz.719 van zijn boek). Ook de Verenigde Naties verspreiden een soortgelijk beeld wanneer ze in het Wereldbevolkingsrapport van 1989 schrijven: "In de ontwikkelingslanden is het voortdurend groeiend aantal arme mensen gedwongen tot een brutale verkrachting van hun milieu, om te overleven".

In dit gedachtengoed is het doorslaggevende verschil met een dier, de mogelijkheid van de mens om de natuur met behulp van technologische middelen in grote mate uit te buiten. De mens put de aarde uit als een "parasiet" en des te hoger het technologisch niveau van de uitbuiting, des te groter is de milieuvernietiging. Dit 'aangeboren' karakter van de mens komt overeen met het destructieve karakter van het moderne industrie-systeem en daarmee is dit laatste een 'natuurgegeven'. Volgens zulke ideeën kan het stellen van grenzen aan de vernietiging inderdaad alleen maar bestaan uit het begrenzen van de bevolkingsomvang.

Exemplarisch voor het zojuist beschreven denkmodel is ook het artikel "De tragiek van de Allmende" dat door Garrett Hardin in 1968 in het Amerikaanse wetenschapsblad "Science" werd gepubliceerd en nog steeds telkens opnieuw geciteerd wordt. Hardin beweert dat het individuele gebruik van gemeenschappelijke goederen sowieso zal leiden tot buitensporige exploitatie en op de lange duur tot vernietiging. Zo stelt hij in zijn logica vast dat veebezitters de allmenden overbeweiden, terwijl de privébezitters wel verantwoordelijkheid zouden tonen voor de verzorging van de velden. Ook gelooft hij dat staatscontrole over de bevolking te legitimeren valt doordat voortplantingsvrijheid de gehele bevolking zou ruïneren (zie Mertens 1991, blz. 168), want zonder controle van buitenaf vermeerderen de mensen zich tot ze het milieu totaal vernietigd hebben.

De waarschuwingen voor een 'overbevolking' van de aarde funktioneren als afleiding van de milieuvernietiging die veroorzaakt wordt door de mensen in de geïndustrialiseerde landen. Ze leiden af van de wereldwijde onrechtvaardige verdeling van goederen. Dramatische beelden van woestijn-uitbreiding, het kappen van tropisch hout, dorheid en watersnood scheppen weliswaar een bewustzijn voor de explosieve kracht van de actuele problemen in ontwikkelingslanden, tegelijkertijd worden er echter angsten aangewakkerd. Het idee dat mensen uit ontwikkelingslanden hun aandeel aan de welvaart van de wereld opeisen of zelfs als vluchteling naar ons toekomen, zorgt eerder voor een verspreiding van racistisch gedachtengoed dan dat er positieve aanknopingspunten voor een andere omgang met de natuur door gestimuleerd worden.

Gezien de wereldwijde crisis gaat het momenteel echter toch alleen om andere samenlevings-concepten. Het gaat niet alleen om een betere verdeling van de rijkdom van de aarde, maar ook om een andere omgang met de natuur waardoor duurzame ontwikkeling mogelijk zou kunnen worden. Een nauwkeurig onderzoek naar de verhouding tussen bevolkingsontwikkeling en milieu vereist daarom onderzoek op drie niveaus. Op de eerste plaats de wereldwijde onrechtvaardige verdeling van het verbruik van natuurlijke hulpbronnen. Op de tweede plaats het ongelijke verbruik van goederen binnen de afzonderlijke landen. En op de derde plaats komt de vraag, op welke wijze er bij een groeiende bevolkingsomvang geproduceerd moet worden om iedereen te kunnen voeden, ook wanneer de goederen rechtvaardig verdeeld zijn.

Een kwestie van verdeling
Nog steeds verbruikt 20% van de wereldbevolking - dat zijn de mensen die in de rijke geïndustrialiseerde landen leven - ongeveer 85 % van alle wereldbronnen. Een volwassen Duitse burger verbruikt doorsnee per jaar 45 maal zoveel energie als een Kenyaan en 23 maal zoveel als een Indiër. Een Amerikaan verbruikt zelfs 72 maal zoveel energie als een Kenyaan (Wichterich 1992, blz.64). Dit geldt eveneens voor het waterverbruik. Dagelijks douchen, wc doorspoelen, was- en vaatwasmachinegebruik, het wassen van auto's, voedselbereiding en het besproeien van gazons, leiden ertoe dat mensen in industriële landen een veelvoud gebruiken van het water dat mensen in ontwikkelingslanden nodig hebben. De Amerikanen staan ook wat waterverbruik betreft op kop, gevolgd door de Europeanen. De industriële landen verbruiken 75% van alle fossiele brandstoffen (olie, kolen, hout) en ongeveer 90% van alle CFK's. Daarmee is de bijdrage aan vervuiling van koolstof in de atmosfeer van iedere industrieland-inwoner ongeveer 4 maal zo groot als die van iemand uit een ontwikkelingsland (Wereldbevolkingsrapport 1993).

De mensen in de industrielanden verbruiken daarnaast ook natuurlijke hulpbronnen van de ontwikkelingslanden, doordat goedkope grondstoffen en etenswaren daar vandaan geïmporteerd worden. Hiermee exporteren de industrielanden als het ware een deel van hun milieuvervuiling naar het Zuiden. De gevolgen voor het milieu door de verbouw van koffie, katoen, thee, bloemen, fruit en groenten in grote monoculturen zijn immers voor rekening van de landen in het Zuiden, terwijl de 'vruchten' naar de industrielanden geëxporteerd en goedkoop verkocht worden. Ook bij de ontginning van kolen en de ertswinning blijven de verwoestingen, ontstaan door de exploitatie, in het land van herkomst. Naast dit alles is er nog de export van afval van industrielanden naar ontwikkelingslanden.

Onafhankelijk van een bepaalde bevolkingsomvang, is ook het verbruik van bronnen binnen de afzondelijke landen ongelijk verdeeld tussen invloedrijke en minder invloedrijke bevolkingsgroepen. Door een verdergaande uitbreiding van commerciële landbouw die in handen is van grootgrondbezitters, overheden of buitenlandse ondernemingen, worden kleine boeren die veelal zelfvoorzienend produceren, verdreven naar slechtere grond. Ze zijn gedwongen deze grond te verbouwen en bos, waar ecosystemen nog in tact zijn en waar negatieve effekten te voorspellen zijn, te gebruiken. De 'goede' gronden worden ondertussen gebruikt en uitgeput ten bate van de export.

Sociale ongelijkheid en ecologische problemen hangen nauw met elkaar samen. In een illustratieve studie heeft het Centrum voor Wetenschap en Milieu in New-Delhi de samenhang tussen sociale ongelijkheid, fout gelopen ontwikkelingspolitiek en milieuvernietiging uitgewerkt: "Milieuvernietiging is nauw verbonden met de in een samenleving toegestane manier waarop natuurlijke hulpbronnen gebruikt worden. In een land als India met een hoge bevolkingsdichtheid wordt iedere ecologische plek bezet voor het economische of culturele levensonderhoud van een bevolkingsgroep. Als deze plek vernietigd wordt of haar bronnen door machthebbers toegeëigend worden, zullen deze onteigende groepen met zekerheid lijden" (Centre for Science and Environment 1982, blz.116).

Voor een grootgrondbezitter in Latijns-Amerika is het geen probleem wanneer zijn veestapel de vlaktes overbeweiden. Hij verdient sowieso genoeg en incasseert pacht van zijn afhankelijken. Een kleine pachter daarentegen moet op zijn land ieder jaar genoeg produceren om in eigen onderhoud te voorzien en de pacht op te brengen (zie Mutter 1993). In India zijn landloze vrouwen gedwongen illegaal en met omkoping van de boswachter, hout in beschermde bossen te verzamelen, terwijl tegelijkertijd bossen aangelegd worden, met staatsondersteuning, voor snelgroeiende, industrieel te benutten houtsoorten (zie Wichterich 1988, blz 12 en ook Lachenmann 1992, blz. 83). In de Sahel-zone worden zelfs pinda's en groenten verbouwd op voormalige weidevlaktes voor de export naar Europa, terwijl nomaden hun kuddes steeds verder de woestijn in moeten drijven.

De draagkracht van de aarde
De verhouding tussen de toestand van het milieu en bevolkingsontwikkeling lijkt uiterst complex. Niet alleen de verdeling van natuurlijke hulpbronnen speelt een rol, maar ook beslissingen over hoe de natuur, de bodem, het water, de grondstoffen en energie benut worden. Worden er luxe-goederen geproduceerd, worden er artikelen van het ene deel van de aarde op een hoog energievretende manier, naar een ander deel getransporteerd, omdat daar een koopkrachtige consumentengroep zit die het gehele jaar door aardbeien, sinaasappels, kiwi's en ananas wil eten? Wordt aan de produktie van machines en elektrische apparaten voorrang gegeven boven investeringen in de landbouw? Wat is noodzakelijk? Wat is wenselijk? Welke levensstandaard is menswaardig en moeten we ons aanmeten? Dit alles leidt tot de vraag: hoeveel mensen zouden daadwerkelijk met een bepaalde levensstandaard - waarbij een zo eerlijk mogelijke verdeling van goederen vooropgesteld wordt - op de aarde kunnen leven?

Experts van de FAO (Wereldvoedselorganisatie) hebben in samenwerking met andere onderzoeksinstituten getracht hier een zeer technisch antwoord op te geven. In zogenaamde 'draagkracht-onderzoeken' proberen ze de maximale inwoneraantallen te bepalen die in de verschillende regio's van de wereld zouden kunnen bestaan.

Voor dit doel werd van alle gebieden op aarde de situatie van het milieu, de klimatologische omstandigheden en de bodemgesteldheid onderzocht. Op basis van deze gegevens werd de maximale produktiviteit van de landbouw berekend, waarbij men uitging van bepaalde technologische voorwaarden. De maximaal te produceren opbrengst werd vervolgens omgerekend in graaneenheden. Dat wil zeggen dat alle mogelijk te verbouwen produkten - of het nu groente, aardappels, gierst of vlees is - in graaneenheden werden omgezet, om ze vervolgens in verhouding te zetten tot het benodigde voedsel voor de bevolking op een gegeven moment. Dit benodigde voedsel werd bepaald door een minimum aantal calorieën (aanbevolen door de Wereldgezondheidsorganisatie) dat per hoofd van de bevolking nodig is. In deze berekeningen is geen rekening gehouden met de verschillende mogelijkheden qua draagkracht van de gebieden, of daar sprake is van veeteelt of bijvoorbeeld van aardappelverbouw. Ook is het minimum aan benodigd voedsel niet ingedeeld in de te onderscheiden bestanddelen die noodzakelijk zijn om te overleven zoals eiwitten, vetten, koolhydraten en mineralen.

Desondanks leidden de onderzoeken tot de conclusie dat de meeste landen in het jaar 2000 en daarna, op basis van de natuurlijke omstandigheden, de mogelijkheid zouden hebben de bevolking te voeden, ook wanneer deze in aantal toeneemt. Voor enkele landen echter, met name Afrikaanse eilandstaten (Kaap-Verdië, Comoren, Mauritius) en berglanden als Rwanda en Burundi, is er sprake van een kritische situatie. In totaliteit schat de FAO dat de draagkracht van de aarde 11 miljard mensen aan zou kunnen, twee keer zoveel mensen als er nu op aarde leven (vgl. Mertens 1991, blz.194).

Ondanks dit optimistische resultaat gaan de onderzoeken helaas nauwelijks in op de relatie tussen mensen en hun omgeving. Er werd enkel berekend welke hoeveelheden voedsel er in bepaalde gebieden onder verschillende technologische voorwaarden kunnen groeien. Criteria vormen het gebruik van irrigatie, bemesting, pesticiden, de afmetingen van de akkers en het gebruik van tractoren en andere machines. Daarbij werden noch de bepalende sociale problemen, noch de ecologische problemen van de moderne landbouw, in acht genomen. Maar alleen wanneer een gemoderniseerde of veranderde landbouw ook arbeidsplaatsen en inkomen biedt aan de bevolking in een betreffend gebied, kan deze landbouw pas de levensstandaard verbeteren. En alleen wanneer de agrarische produktiemethoden niet het water, de lucht, bodem en ander leven vernietigt, kan deze veranderende landbouw een wenselijke ontwikkeling zijn.

Voor een duurzame ontwikkeling hebben in ieder geval de  technisch vergevorderde agrarische systemen van de Groene Revolutie [1] en de gemoderniseerde Europese landbouw afgedaan. Want de gevolgen voor het milieu zijn zeer ernstig. Het hoge water- en energieverbruik met kunstmest en pesticiden is op de lange duur problematisch. Zo heeft het bewateren van de hoge-opbrengst-rijstsoorten met water uit de diepe bronnen in Noord India, er inmiddels toe geleid dat de waterbronnen van de mensen in de omliggende dorpen uitgedroogd zijn. Ook ontstaat bij monoculturen al snel bodemerosie en een noodzaak om steeds meer kunstmest te gebruiken. De mest en het bezinksel in de grond van pesticiden verslechteren de waterkwaliteit van de omgeving. Ze kunnen op de lange duur negatieve gezondheidsgevolgen hebben voor de bevolking, in het bijzonder voor de arbeidersters die er direct mee in aanraking komen. De besmetting door pesticiden heeft er in India - in gebieden waar de Groene Revolutie plaatsvond -  ook toe geleid dat eenden, vissen en kikkers, die belangrijk extra voedsel voor de bevolking betekenden, niet meer in het water van de rijstvelden konden leven. In Ecuador moest vanwege het hoge pesticidengebruik bij de bananenteelt delen van de krabben- en garnalenkwekerijen aan de kustlijn opgegeven worden omdat de watervervuiling te ernstig was (Frankfurter Rundschau, 11-1-1994, blz. 17).

In Europese landbouwgebieden vormt nitraatbezinksel in het grondwater en opervlakte wateren eveneens een probleem: het water van verschillende plattelandsstreken is in ieder geval voor zuigelingen en kleine kinderen niet meer te drinken. Ook de voedingswaarde van het agrarisch-industrieel geproduceerde voedsel verslechtert en de langdurige uitwerking hiervan op de gezondheid zijn problematisch. De ervaringen in Europa met nitraathoudende groenten, giftig fruit, hormoon-rundvlees en sinds kort met genetisch gemanipuleerde voedingsmiddelen laten zien dat de problemen niet opgelost kunnen worden door een kwantitatieve stijging van voedsel, zelfs niet wanneer deze in theorie alle mensen genoeg te eten zou geven. Het behoud van een levensvatbaar milieu, van het water, de bossen en ook van gezonde en evenwichtige voeding zijn eveneens voorwaarden voor ontwikkeling bij een groeiende wereldbevolking. Daarom is de doorslaggevende vraag bij de gedachtengang over hoeveel mensen er op de aarde kunnen leven, niet alleen die naar het aantal mensen, maar vooral ook naar de wijze waarop er geproduceerd wordt. Het antwoord op deze vraag kan alleen gegeven worden op regionaal niveau, waarbij rekening gehouden wordt met de bevolking die op dat moment in een bepaald gebied woont.

Ecologisch werken - een politieke vraag
Bezitsverhoudingen, arbeidsverhoudingen en inkomensverdeling zijn in de landbouw nauw verstrengeld met het milieu en bevolkingsontwikkeling. Een hoog-technologische landbouw verzekert weliswaar een hoge produktie, maar biedt in veel gevallen weinig arbeidsplaatsen en sluit de mensen die vroeger het land bebouwd hebben uit van werk en inkomen. De op rationalisatie gebaseerde techniek is vaak één van de oorzaken waardoor bodemerosie en milieuvernietiging gestimuleerd wordt. Want grote machines kunnen alleen op grote, kaal gemaaide vlaktes ingezet worden. Daarom worden 'oneffenheden' zoals struikgewas en bomen opgeofferd. Het gebruik van pesticiden schijnt rationeler te zijn dan het vermoeiende en arbeidsintensieve schoffelen en hakken. Bemesten schijnt effectiever dan tussendoor zaaien, wisselbouw en de grond af en toe een tijdje braak te laten liggen.

De maatregelen die genomen worden ter behoud van het milieu en ter verzorging van de akkers is afhankelijk van wie de grond bezit, wie over de produkten beslist en wie het werk verricht. En vooral ook de vraag aan wie de voedingsmiddelen uiteindelijk ten goede komen, hangt af van deze factoren. Multinationals concentreren zich voornamelijk op die produkten waarmee op internationale markten winst te behalen valt: pinda's en groente uit de Sahelzone, rundvlees uit Latijns-Amerika, koffie, cacao en bananen uit Midden-Amerika, thee en bloemen uit Oost-Afrika. En wanneer de bodem uitgeput is, de produkten niet meer afzetbaar zijn of de lokale arbeidskrachten te duur worden, bestaat er voor de multinationals nog altijd de mogelijkheid om uit te wijken naar andere gebieden. De kleine boeren, de pachters en de landarbeider(ster)s daarentegen zijn erop aangewezen dat ze zich kunnen voeden van de grond in hun gebied, onder de gegeven milieu-omstandigheden. Daarom hebben ze een persoonlijk, concreet belang bij het behoud van het milieu.

Maar het streven naar ecologische doelen mag voor hen niet betekenen dat ze moeten afzien van hun huidige inkomen. De omschakeling van boerenbedrijven naar milieuvriendelijke landbouw houdt vaak in dat er een aantal jaren een terugloop van opbrengsten zal zijn, dat er meer werk verricht moet worden en dat er ook meer investeringen gepleegd worden. Een kleine boerin of boer aan de rand van het bestaansminimum kan zich deze omschakeling zonder ondersteuning van anderen niet veroorloven. Zij moeten ieder jaar produkten produceren voor hun eigen voorziening en voor een afzet op de markt.

De beslissing voor of tegen een geschikte milieuvriendelijke produktie hangt dus niet alleen af van de bevolkingsomvang en ook niet van de te verwachten bevolkingsgroei: het is een politieke beslissing. Veel voorbeelden tonen aan dat bezitsverhoudingen en arbeidsverdeling beslissend zijn voor de produkten die verbouwd worden. Terwijl grootgrondbezitters en grote bedrijven vruchten verbouwen voor de industrie en export, hebben kleine boerinnen en boeren een voorkeur voor produkten voor eigen levensonderhoud en voor het ruilen op de lokale markt.

Ook tussen de seksen loopt de interesse voor milieuverantwoorde produkten uiteen. Voorbeelden hiervoor zijn talrijke conflicten over herbebossingsprojekten, over de aan te planten bomen en het gebruik van het bos. Zowel binnen de Indiase Chipko-beweging in de Himalaya als elders, schijnen mannen eerder geïnteresseerd te zijn in financiële opbrengsten en pleiten voor fruitbomen, cashewnoten of snelgroeiende houtbomen (Wichterich 1992, blz.72; Centre for Science and Environment 1982, blz.183). Vrouwen daarentegen willen hun eigen voorziening en die van hun families verzekeren. Zij pleiten voor stookhout en vruchtbomen voor eigen gebruik.

Onderbevolking en milieuvernietiging
De trek naar de stad verslechtert de mogelijkheden voor het platteland nog verder. Er ontstaan situaties waar het, niet vanwege 'overbevolking' maar vanwege een tekort aan arbeidskrachten, niet langer mogelijk is milieuvriendelijke landbouw toe te passen. In veel gebieden trekken vooral jonge mannen naar de steden en laten vrouwen, ouderen en kinderen achter. Daar waar de grote export-bedrijven vooral jonge meisjes werven, zoals in delen van Latijns-Amerika en Azië, verlaten ook de vrouwen het platteland. Dit veroorzaakt vaak een drastische geboorte-afname op het platteland en leidt daarmee tot een tekort aan arbeidskrachten, terwijl er tegelijkertijd ook nog een verdergaande verslechtering van het milieu plaatsvindt. Het gevolg is een terugloop van de voedselproduktie en tevens een verwoesting van de grond.

Een voorbeeld van de samenhang tussen onderbevolking en erosie is Zambia. Hier concentreert zich de bevolking in steden rondom de kopermijnen. Slechts een klein gedeelte van de grond wordt verbouwd. Voedingsmiddelen moeten voor een deel geïmporteerd worden. En omdat er maar een klein deel van de bodem gebruikt wordt voor landbouw, wordt er weinig gedaan aan het behoud van de bodemvruchtbaarheid. Kleine boeren en boerinnen missen hiervoor de financiële bronnen en de bezitters van grote boerderijen verlaten onvruchtbare gronden en bebouwen een nieuwe vlakte elders (Blaikie 1985, blz.193).

De slechte levensomstandigheden op het platteland veroorzaken een vicieuze cirkel waarvan de gedupeerden vooral vrouwen zijn. De migratie van mannen leidt tot een arbeidskracht-tekort waardoor de akkerbouw verslechtert en de werkdruk van vrouwen verhoogt. Het inkomen uit de landbouw daalt steeds verder, terwijl de bodemerosie door ontbrekende tegenmaatregelen stijgt. Het gevolg is een structurele achteruitgang van de ecologische omstandigheden (vgl. Centre for Science and Environment 1982, blz.180).

De vrouwen die op het platteland achterblijven, ontbreekt het aan financiële middelen, voldoende arbeidskracht en aan eigendomsrecht op grond, om ecologische landbouw te kunnen bedrijven. Zo zou erosie en het wegdrijven van aarde voorkomen kunnen worden - ook op hellingen - door het aanleggen van terrassen en beplantingen, door het aanplanten van dicht struikgewas en tussenzaaiingen of door het verbeteren van de vruchtbaarheid met bewateringssloten.

Nieuwe en oude gewascombinaties zouden betere resultaten kunnen opleveren. Een zorgvuldige keuze en samenstelling van de te verbouwen planten in mengculturen en wisselbouw kan de bodem duurzaam verbeteren. Bomen tussen de velden geven schaduw, reguleren de waterhuishouding en kunnen onder omstandigheden zelfs brandhout en voedsel opbrengen. De onderzoeken naar dergelijke duurzame landbouwmethoden staan in veel landen nog in de kinderschoenen. Traditionele gewoonten en kennis zouden samen met nieuwe ideeën afgestemd moeten worden op de regionale omstandigheden.

Vast staat dat milieubewuste landbouw alleen succesvol kan zijn wanneer de bevolking - vrouwen en mannen - deelneemt en er rekening met hen gehouden wordt. Daar waar vooral vrouwen, die vechten voor hun bestaansminimum, ook nog eens de taak op hun schouders krijgen om het milieu te beschermen, kunnen ecologische maatregelen geen succes hebben. Want zonder beschikking te hebben over een eigen of gemeenschappelijk stuk land, over de opbrengsten ervan en zonder beslissingsrecht, gaan veel milieubeschermende maatregelen voorbij aan hun behoeften. Hierbij maakt het niet uit of het nu gaat om herbebossing, biogascontructies of zuinige ovens (vgl. Wichterich 1992, blz.90). Waar vrouwen alleen maar nieuwe lasten op hun schouders krijgen (zoals het onderhouden van bomen) of gestraft worden voor zaken die van levensbelang zijn (zoals brandhout verzamelen) of wanneer zelfs beweerd wordt dat ze uit liefde voor het milieu hun kindertal moeten reduceren, wordt natuurbescherming iets dat zich tegen de mensen keert.

Het is cynisch wanneer mensen in de industriële landen uit zorg voor het tropisch regenwoud, het wereldklimaat en de woestijnuitbreiding uitgerekend van de arme bevolkingen uit het Zuiden eisen dat zij geen bos meer ontginnen voor akkerbouw, geen hout meer verzamelen en hun vee niet meer op berghellingen of op andere ongeschikte gebieden laten grazen. Want ze hebben vaak geen andere keus om te overleven. Ook de eis om hun kindertal te verkleinen gaat voorbij aan de dagelijkse realiteit, zolang kinderen belangrijke arbeidskrachten zijn en zekerheden voor de oude dag en in geval van ziektes bieden.

Het afsluiten van natuurreservaten en het verdrijven van de daar levende mensen is onderdeel van een politiek waarin mensen en hun natuurlijke omgevingen opgedeeld worden in "produktief" en "onproduktief". Natuurbescherming krijgt hier het karakter van natuurbescherming tegen de mensen. In Europa bijvoorbeeld moeten uitgerekend boeren in de economisch-zwakke gebieden hun akkers braak laten liggen uit liefde voor de natuur, terwijl andere boeren in de agro-industrie doorgaan met het verhogen van de boter- en melkberg en hun roofbouw op de natuur voortzetten. De produktie wordt niet gezamenlijk overgeschakeld op ecologische landbouw, dat misschien minder winstgevend maar daarentegen wel duurzamer en energie-effectiever is en gezondere voeding en levensomstandigheden voortbrengt. Momenteel lijkt het veel meer de bedoeling te zijn, alles aan natuurvernietiging en uitbuiting toe te staan waar dat economisch rendabel is, terwijl in schijnbaar minder lucratieve omstreken de mensen niets meer mogen produceren om zo de natuur te beschermen.

Noten:
[1]  Groene Revolutie: De invoering van kapitaalintensieve landbouw in de vorm van monoculturen, waarmee geproduceerd wordt voor de export. Zelfvoorzienende landbouw werd hiermee vernietigd en daarmee de bestaanszekerheid van veel kleine boeren. Een grote trek van het platteland naar de stad was het gevolg.

Literatuur:
- Blaikie, Piers: The Political Economy of Soil Erosion in Developing Countries, London/New York 1985
- Centre for Science and Development: The State of India's Environment - A Citizens Report, New Delhi 1982
- idem, The State of India's Environment 1984-85. The Second Citizens Report, New Delhi 1985
- Deutsche Gesellschaft für die Vereinten Nationen: Die Zukunft sichern! Weltbevölkerungsbericht 1988, Bonn 1988
- idem, Vorrang für Frauen. Weltbevölkerungsbericht 1989, Bonn 1989
- idem, Das Individuum und die Welt - Bevölkerung, Migration und Entwicklung in den neunziger Jahren, Weltbevölkerungsbe  richt 1993, Bonn 1993
- Mertens, Heide: Wunschkinder - Natur, Vernunft und Politik, Münster 1991
- Mertens, Heide: Politische Ökologie und globale Krisenszena rien. In: Peripherie, Nr.51/52 1993, pag. 137-154
- Mies, Maria: Patriarchat und Kapital - Frauen in der inter nationalen Arbeitsteilung, Zürich 1988
- Mutter, Theo: Umsetzungsbedingungen für Konzepte dauerhafter landwirtschaftlicher Entwicklung im brasilianischen Nordos ten. In: Peripherie, Nr. 51/52 1993, pag. 103-119
- Lachenmann, Gudrun: Frauen als gesellschaftliche Kraft im sozialen Wandel in Afrika. In: Peripherie, Nr. 51/52, pag. 74-93
- Odum, E. Pierre: Grundlagen der Ökologie, Bd. II, Stuttgart 1980
- Wichterich, Christa: Die Erde bemuttern - Frauen und Ökolo gie nach dem Erdgipfel in Rio, Heinrich-Böll-Stiftung, Köln 1992 - idem, Überlebenspragmatikerinnen - Ein Bein in der Subsis tenz, das andere in der Warenproduktion
- Erfahrungen mit Stammesfrauen in Indien. In: beiträge zur feministischen theorie und praxis, Nr. 23, 1988, pag. 9-21.