<?xml version="1.0" encoding="iso-8859-1"?>
<rss version="2.0">
	
	<channel>
		<title>Helix</title>
		<link>http://www.biopolitiek.nl/helix.php</link>
		<description></description>
		<language>nl</language>
		<managingEditor>herman(at)biopolitiek.nl</managingEditor>
                <copyright>Copyright 2011</copyright>
		<generator>Pivot Pivot - 1.40.4: 'Dreadwind'</generator>
		<pubDate>Tue, 25 Jan 2011 12:04:33 +0100</pubDate>
		<ttl>60</ttl>
		
		
		
		
		<item>
			<title>Basis-organisatie Doorbraak over bevolkingspolitiek</title>
			<link>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=528&amp;w=helix</link>
			<comments>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=528&amp;w=helix#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ <p>
<strong>De basis-organisatie <a href="http://www.doorbraak.eu" title="http://www.doorbraak.eu">Doorbraak</a> ziet het begrip &quot;bevolkingspolitiek&quot; als een nuttig
instrument om de samenhang tussen allerlei politieke, economische en
sociale ontwikkelingen in de maatschappij beter te kunnen begrijpen.
In een vraag en antwoord artikel geeft Doorbraak aan wat bevolkingspolitiek volgens hen is en welk nut het begrip
heeft bij het opbouwen van verzet.</strong>
</p>
<p>
<font color="#000000"><em>Wat verstaat Doorbraak onder bevolkingspolitiek?</em></font></p><p>
<em><br />
</em>
</p>
<p>
Bevolkingspolitiek
is het totaal aan wetgeving en ingrepen dat moderne kapitalistische
staten in samenwerking met het bedrijfsleven en de vakbonden (denk aan
de SER) inzetten om de &quot;kwaliteit&quot; en &quot;kwantiteit&quot; van hun bevolking te
reguleren. Men zou kunnen zeggen dat landen worden gerund als
bedrijven, en dat bevolkingspolitiek het bijbehorende personeelsbeleid
vormt. De BV Nederland vormt daarop geen uitzondering en doet ook aan
zulk bevolkingsmanagement. Bevolkingspolitiek wordt door de staat
vormgegeven in het belang van het kapitaal, met als doel <a href="http://eurodusnie.nl/activisme/een-optimaal-inpasbare-bevolking-voor-een-kapitalistische-democ.html">een zo bruikbaar mogelijke bevolking met zo laag mogelijke reproductiekosten</a>.
Met reproductiekosten worden de kosten bedoeld die de overheid maakt
met onder meer de opvoeding, scholing, gezondheidszorg, sociale
zekerheid en pensioenen. De BV Nederland probeert onder meer de
reproductie waar mogelijk voor rekening te laten komen van ouders,
familie, buren en vrijwilligers, zoals bijvoorbeeld bij de opvoeding,
het huishouden en emotionele zorg. Een toekomstige werkelijk
socialistische samenleving kent in principe geen bevolkingspolitiek
omdat de economie daar in dienst van de bevolking staat, in
tegenstelling tot kapitalistische systemen, waarbij de bevolking in
dienst staat van, en aangepast dient te worden aan, de behoeften van de
economie, van het kapitaal. En juist omdat mensen in het algemeen geen
zin hebben om hun leven zomaar in dienst te stellen van de winst van
anderen, kunnen staten niet zonder instrumentarium om bevolkingen naar
hun behoeften te kneden of, als mensen dat onvoldoende toelaten,
eronder te houden. Het gebruik van het analytische begrip
bevolkingspolitiek <a href="http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=237&amp;w=helix#body">maakt het ons makkelijker om samenhangen te zien en te begrijpen</a>
tussen beleid op het gebied van onder meer migratie, onderwijs,
inburgering, en integratie in de arbeidsmarkt, maar ook rond
ontwikkelingssamenwerking en milieu, en zelfs rond medisch ingrijpen
bij onze voortplanting en ons sterven.
</p>
<p>
&nbsp;Lees meer met aanklikbare linken naar artikelen, onder meer van de site van Werkplaats Biopolitiek
</p>
<p>
<a href="http://www.doorbraak.eu/?p=290#more-290" title="http://www.doorbraak.eu/?p=290#more-290">Lees verder</a></p> ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">528@http://biopolitiek.nl/pivot/</guid>
			<category>Overbevolking, Bio-ethiek, Euthanasie, Helix, Marktwerking in de zorg, Voortplantingstechnologie</category>
			<pubDate>Thu, 30 Sep 2010 16:11:00 +0100</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>Biologische technologie tegen migratie</title>
			<link>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=519&amp;w=helix</link>
			<comments>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=519&amp;w=helix#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ Steeds vaker worden biologische technieken ingezet bij het weren en selecteren van vluchtelingen en migranten. Vingerafdrukken worden opgeslagen. Botten van minderjarige vluchtelingen worden opgemeten. Familiebanden worden onderzocht met DNA-tests. Huwelijkskeuzen worden bemoeilijkt met eugenetische argumenten. En op visa komen steeds meer biometrische kenmerken.De nieuwe biologische technologie&euml;n zijn voor de meeste mensen, en dus ook voor vluchtelingen en migranten, volkomen ondoorgrondelijk. Met uitzondering van vingerafdrukken is het zelfs meestal onduidelijk wat er nu precies gemeten wordt. Het gaat om voor henzelf onzichtbare feiten. Zoals bijvoorbeeld de mate waarin hun sleutelbeen ontwikkeld is. Dat wordt gemeten bij alleenstaande minderjarige vluchtelingen (ama&rsquo;s) om hun leeftijd te bepalen. Of zoals de samenstelling van hun DNA. Dat wordt nagegaan via moleculen in hun bloed of wangslijm om mogelijk gezinshereniging tegen te kunnen gaan. Of neem de biometrische foto&rsquo;s die exact de afstand tussen punten in hun gezicht meten. Individuele migranten en vluchtelingen zullen het gevoel hebben te staan tegenover apparaten die op onnavolgbare wijze gegevens over hen produceren.<br />
<br />
De biologische technieken verleggen ook de nadruk van de sociale naar een biologische realiteit. Een kind dat is verwekt door een andere vader of die is opgenomen uit een andere familie omdat zijn ouders in een oorlog zijn gedood, zou mogelijk na een DNA-test door de autoriteiten niet meer gerekend kunnen worden tot het gezin waarbij het tot nu toe opgegroeid is. Op die basis zou de overheid gezinshereniging kunnen afwijzen. Zo kan biologische techniek de sociale realiteit veranderen. Een kind wordt opeens buiten het gezin geplaatst. Een vrouw moet opeens uitleggen wie de verwekker is van haar kind. Ondanks deze overduidelijke nadelen zijn biologische technieken sterk in opmars in de Europese migratiebeheersingsregimes.<br />
<br />
Tapijt<br />
<br />
Het botonderzoek bij minderjarigen is in Nederland het meest omstreden, zowel maatschappelijk als wetenschappelijk. Om te bepalen of ze wel echt minderjarig zijn, en dus echt niet geweigerd mogen worden, onderwerpt de IND ama&rsquo;s aan een botonderzoek.(1) Met r&ouml;ntgenfoto&rsquo;s van het sleutelbeen zou objectief-wetenschappelijk vast te stellen zijn of een vluchteling werkelijk jonger is dan 18 jaar. Die zou dan namelijk onvolgroeide of &ldquo;niet-uitgerijpte&rdquo; sleutelbeenderen moeten hebben. Daarover zegt de Amsterdamse Stichting Medisch Advies Kollektief (SMAK): &ldquo;Het leeftijdsonderzoek is van aanvang af in handen gelegd van &eacute;&eacute;n persoon, fysisch antropoloog Harry van der Pas. Hij heeft het leeftijdsonderzoek (mede) ge&iuml;nitieerd, voert het uit en is ook verantwoordelijk voor de controle erop. In het nieuwste protocol wordt dan ook uitsluitend gerept over interne controle. Hij heeft elke vorm van externe controle altijd van de hand gewezen als volstrekt overbodig; hij stelt dat men altijd naar een rechter kan stappen. Uit niets blijkt dat hij verstand heeft van radiologische onderzoeken. Maar er is van zijn hand ook geen enkele antropologische studie over dit onderwerp bekend.&rdquo;<br />
<br />
&ldquo;Het IND-leeftijdsonderzoek met gebruikmaking van sleutelbeenfoto&rsquo;s is uniek in de wereld&rdquo;, schreef SMAK ook. &ldquo;Het wordt alleen in Nederland toegepast. We hebben ons er in de afgelopen 9 jaar zeer grondig in verdiept en wij brengen de heer Van der Pas, antropoloog, tot wanhoop. Maar hij wordt volledig beschermd door de IND. Hij is nergens werkzaam. Hij genoot een onbezoldigde aanstelling aan de Universiteit van Tilburg (KUB), waar hij al jaren niet meer werkzaam was. Hij gebruikte de naam van de universiteit wel als hij naar buiten trad en hij gebruikte verouderd postpapier. In 2003 is het hem verboden in het kader van het leeftijdsonderzoek de KUB nog langer te noemen. Het gaat niet alleen om de onmogelijkheid van leeftijdsbepalingen aan de hand van sleutelbeenfoto's, maar ook over de hand-pols-beoordelingen bij de alleenstaande minderjarige vreemdelingen rond 15 jaar. Ook daarover wordt veel wetenschappelijke kritiek onder het tapijt geveegd. In meerdere landen wordt ook dat onderzoek om redenen van onzorgvuldigheid niet gebruikt. In Nederland kan alles.&rdquo;(2)<br />
<br />
Integriteit<br />
<br />
De IND doet echter doodleuk of het onderzoek betrouwbaar is. In een scriptie betwistten vier studenten van de Fontys Hogeschool in 2004 de wetenschappelijke onderbouwing ervan. De vier werden vervolgens ge&iuml;ntimideerd, hun conclusies werden aangepast, en de studie werd zelfs uit de bibliotheek verwijderd.(3) Ook de Nationale Ombudsman en de Inspectie Gezondheidszorg uitten hun twijfels over de betrouwbaarheid van het onderzoek. Het zou bovendien niet ethisch zijn en de straling van de noodzakelijke r&ouml;ntgenfoto zou schadelijk zijn voor de gezondheid. De toenmalige minister Rita Verdonk stelde een Commissie Leeftijdsonderzoek in om de methoden en procedures van het onderzoek in de gaten te houden. Die bestrijdt echter alle kritiek en jubelt dat dankzij het onderzoek nu uitgesloten zou zijn dat vluchtelingen ten onrechte als meerderjarig worden aangemerkt. &ldquo;Ik twijfel niet aan onze integriteit&rdquo;,(4) zegt commissievoorzitter en VVD-senaatslid Heleen Dupuis zelf. Maar het is de vraag of haar oordeel wel wetenschappelijk en politiek neutraal is, want begin 1999 stelde ze voor om &ldquo;een tijd&rdquo; de grenzen te sluiten. &ldquo;We moeten pas op de plaats maken en aan onszelf denken. Nederland loopt vol, dus moeten we daar wat aan doen. Dat is niet politiek correct, maar het moet gezegd worden.&rdquo;(5) Ook zei ze eens: &ldquo;Als je afgewezen asielzoekers niet graag het land uitzet, moet je zorgen dat ze niet binnenkomen.&rdquo;(6) Eind januari 2006 stapte consultant gezondheidszorg en mensenrechten Loes van Willigen uit de commissie. De andere leden luisterden volgens haar niet naar bezwaren tegen de werkwijze van Van der Pas.<br />
<br />
Volgens haar notitie &ldquo;Immigratie en integratie&rdquo; van november 2007 wil de VVD het aantal gezinsherenigingen met 80 procent terugbrengen tot niet meer dan 5.000 per jaar. Er zouden daartoe hogere eisen gesteld moeten gaan worden. Kinderen van boven de 16 jaar zouden sowieso niet meer in aanmerking mogen komen, en bij jongere kinderen zouden de ouders via een DNA-test hun ouderschap moeten bewijzen. In Frankrijk is zo&rsquo;n verplichte DNA-test inmiddels al in de wet vastgelegd. Gezinsherenigers moeten daar aantonen dat de aangegeven verwantschap &ldquo;een biologische realiteit&rdquo; is, en daartoe zouden ze een gentest krijgen &ldquo;aangeboden&rdquo;. Geboortebewijzen zouden te vaak niet aanwezig of vervalst zijn. Zelfs van de grote krant Le Monde kwam daarop kritiek. &ldquo;De nieuwe regering normaliseert voor buitenlanders een methode die de wetgever tot nu alleen in uitzonderingssituaties wilde toestaan en die voor Fransen een uitzondering blijft.&rdquo; Maar de anti-racistische organisatie MRAP sloot niet uit dat de regering op een dag dezelfde test wel eens verplicht zou kunnen gaan stellen voor bijvoorbeeld alle families die kinderbijslag aanvragen, ook de &ldquo;autochtone&rdquo;. En dat zou zonder twijfel tot veel verrassingen leiden, schreef MRAP sarcastisch. Zo&rsquo;n 200 duizend mensen ondertekenden de petitie &ldquo;Touche pas mon ADN&rdquo;. Dat betekent &ldquo;Blijf van m&rsquo;n DNA af&rdquo;, een verwijzing naar de bekende Franse slogan &ldquo;Ne touche pas &agrave; mon pote&rdquo;, ofwel &ldquo;Blijf van m&rsquo;n makker af&rdquo;, van de anti-racistische organisatie SOS Racisme. Na alle kritiek beloofde de regering de wet tot 2010 slechts steekproefsgewijs in te voeren om daarna eerst een balans op te maken. Verder zou in een nieuwe versie van de wettekst sterker benadrukt worden dat de gentests &ldquo;vrijwillig&rdquo; zijn. Maar het valt te betwijfelen of weigeraars nog veel kans maken op een verblijfsvergunning.<br />
<br />
Driedimensionaal<br />
Vluchteling onder handen genomen door een r&ouml;ntgenapparaat.<br />
<br />
<br />
In de toekomst moet elk visum voor de EU biometrische kenmerken van de drager gaan bevatten. In juni 2007 besloten de EU-lidstaten alle biometrische foto&rsquo;s en vingerafdrukken van visumhouders voor het Schengengebied op te gaan slaan in een gigantisch Visum Informatie Systeem (VIS). Daarin zullen de gegevens worden opgenomen van maar liefst 70 miljoen mensen. Zo hoopt de EU eerder uitgezette vluchtelingen of migranten eruit te pikken die opnieuw proberen binnen te komen met een visum op een andere naam. Vooral de ontwikkeling van gezichtsherkenning door camera&rsquo;s zal daarbij erg behulpzaam zijn. De Universiteit Twente is betrokken bij het EU-project 3D-Face, waarbij voor 12 miljoen euro drie jaar hard gewerkt wordt aan verbetering van de mogelijkheden van gezichtsherkenning, zodat ook bij slecht licht, veranderende kleuren of een andere houding herkenning plaats kan vinden. Dat kan dan mooi in vliegtuigen toegepast worden. De EU ontwikkelt namelijk ook speciale camera&rsquo;s en microfoons om passagiers in vliegtuigen voortdurend te observeren. Die controle moet helpen om verdacht gedrag van eventuele terroristen te ontdekken, maar is uiteraard ook te gebruiken om het geluid van scheurende paspoorten en de daarbij horende enigszins angstige gezichtsuitdrukking te herkennen. Het onderzoekswerk wordt gevolgd door de zoveelste ethische commissie, maar biedt geen enkele garantie voor de privacy. D66-Europarlementslid Sophie in &lsquo;t Veld werd onaangenaam verrast door het project. &ldquo;Dit onderzoek was het parlement niet echt bekend. Ik vind dat we dringend moeten spreken over de privacy van passagiers.&rdquo; De onderzoekers zelf verwachten dat passagiers zich niet zullen storen aan camera's en microfoons rond hun stoelen. Er hangen immers overal al bewakingscamera&rsquo;s. Over invoering is voorlopig nog niets besloten.<br />
<br />
De 3D-Face foto&rsquo;s zijn gepland voor op de volgende generatie paspoorten. Als deze driedimensionale scans dan ook in een centrale database worden opgeslagen, kunnen ze worden ingezet voor gezichtsherkenning door camera&rsquo;s op bijvoorbeeld treinstations en in winkelcentra. Dan zouden mensen met een verlopen visum er zo uitgepikt kunnen worden en ook alle anderen die om de een of andere reden gezocht worden. Biometrie is sowieso aan een gestage opmars bezig in het dagelijks leven. Tilburgse zwembaden volgden in de zomer van 2006 het voorbeeld van Ridderkerk om alle bezoekers een biometrisch pasje te geven en degenen die zich misdroegen op de zwarte lijst te zetten. Die worden nu reeds bij de balie geweigerd. Bij Ajax, Feyenoord en Vitesse startte in januari 2007 een proef met biometrische toegangscontroles om hooligans te weren. Nog slechts met vingerafdrukken omdat gezichtsherkenning nog te ingewikkeld is bij de verwerking van duizenden bezoekers tegelijk. Desondanks moet op Schiphol de douanecontrole volgens scheidend marechaussee-commandant Beuving snel geautomatiseerd worden. Automatisch afnemen van vingerafdrukken, irisscans en gezichtsherkenning zou moeten voorkomen dat de persoonscontrole vastloopt.<br />
<br />
De controle via vingerafdrukken kan overigens problemen geven. Van lang niet iedereen zijn vingerafdrukken goed te herkennen. Metselaars hebben vaak onherkenbare, want afgesleten, vingerafdrukken. De Duitse hackersclub CCC toonde aan dat vingerafdrukken vrij gemakkelijk te vervalsen zijn. De club stuurde in 2008 met hun blad een stukje folie mee, waarop de afdruk staat van de rechterwijsvinger van de Duitse minister van Binnenlandse Zaken Wolfgang Sch&auml;uble. Iedereen kan dat folie over zijn vinger plakken en zal dan door scanapparatuur herkend worden als de minister. Sch&auml;uble, een groot voorstander van biometrie, was woedend. Henk van Houtum van de Radboud Universiteit erkende daarentegen wel de problemen: &quot;Identiteit wordt steeds vaker gemeten in en op het lichaam: sleutelbeenderen, ogen, DNA en vingerafdrukken. Mensen worden hun eigen paspoort en hoe ze worden gezien hangt af van hun code. We decoderen mensen niet op hun kwaliteiten, maar op het lot van hun geboortegrond of herkomst. Wie uit een arm of of moslimland komt is daarmee potentieel gevaarlijk en krijgt geen toegang tot Europa.&quot;<br />
<br />
<strong>Inteelt</strong><br />
<br />
In 2002 begonnen allerlei rechtse opiniemakers het argument van &ldquo;inteelt&rdquo; in te zetten tegen &ldquo;importhuwelijken&rdquo;. Ook het NRC deed mee: &ldquo;Het nieuwe kabinet wil gezinsmigratie door huwelijken onder immigranten tegengaan. Daar valt uit het perspectief van integratie veel voor te zeggen. Hier komt het medisch-ethische argument bij. De ouders nemen risico's die het toekomstige leven van hun nageslacht en van henzelf belasten.&rdquo;(7) In december 2003 vroeg CDA-Kamerlid Mirjam Sterk aan minister Hoogervorst van Volksgezondheid of hij huwelijken tussen neven en nichten niet kon verbieden. Ze kreeg steun van de LPF en de SP die zich kennelijk zorgen maakten om &ldquo;de toename van inteelt&rdquo;. De minister antwoordde dat zo&rsquo;n verbod niet haalbaar zou zijn.<br />
<br />
De hele discussie was feitelijk bedoeld om &ldquo;importhuwelijken&rdquo; in een kwaad daglicht te stellen. Met een beroep op de medische biologie worden huwelijken tussen Marokkaanse of Turkse neven en nichten steeds verder gecriminaliseerd of gemedicaliseerd. Kinderen uit zulke huwelijken zouden een grotere kans op aangeboren afwijkingen lopen. Kennelijk zijn kinderen met zo&rsquo;n afwijking voor de betrokken politieke partijen een gruwel, wier geboorte koste wat kost vermeden moet worden. In maart 2008 zei PvdA-Kamerlid Khadija Arib echter dat bloedverwantschap bij &ldquo;allochtone&rdquo; ouders niet als een migratieprobleem, maar als een mogelijk gezondheidsprobleem moet worden gezien. Dat naar aanleiding van het RIVM-rapport &ldquo;Kinderwens van consanguine ouders: risico&rsquo;s en erfelijkheidsvoorlichting&rdquo;, dat was gebaseerd op het Generation R onderzoek waarbij 10 duizend Rotterdamse kinderen jarenlang worden gevolgd.(8) Generation R wordt vooral geprezen als een databank met informatie over &ldquo;allochtonen&rdquo;.<br />
<br />
Henk Kamps VVD vindt dat huwelijksmigranten voortaan moeten bewijzen dat ze geen neef en nicht van elkaar zijn, bijvoorbeeld via een DNA-test. &ldquo;Voor Henk Kamp, de geestelijk vader van het project, is het probleem niet de immigratie, maar dat het gros van de betrokkenen geen kans maakt op de arbeidsmarkt&rdquo;,(9) reageerde auteur Fouad Laroui, die meteen ook fijntjes Kamps logica weerlegde dat juist achterlijke mensen neef-nichthuwelijken aangaan. &ldquo;De grootste Engelse dichter Lord Byron had een relatie met zijn halfzusje en de immer door de VVD aangehaalde filosoof van de Verlichting, Voltaire, woonde samen met zijn nicht.&rdquo;<br />
<br />
Noten<br />
<br />
&nbsp;&nbsp;&nbsp; * 1. &ldquo;Selectie met de botte bijl&rdquo;, Ellen de Waard. In: Fabel Archief.<br />
&nbsp;&nbsp;&nbsp; * 2. &ldquo;Geen vuiltje aan de lucht&rdquo;, Pieter Bogaers, 2008.<br />
&nbsp;&nbsp;&nbsp; * 3. &ldquo;Argos over botten, minderjarige asielzoekers en de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek&rdquo;. Radio-uitzending op: De ochtenden-website.<br />
&nbsp;&nbsp;&nbsp; * 4. &ldquo;Immigratie: botten liegen niet&rdquo;. In: Elsevier, 25.2.2006.<br />
&nbsp;&nbsp;&nbsp; * 5. &ldquo;Heleens hemd&rdquo;, Elsbeth Etty. In: NRC Handelsblad, 6.2.1999.<br />
&nbsp;&nbsp;&nbsp; * 6. &ldquo;We redden het niet&rdquo;, Cor Speksnijder. In: Het Parool, 6.2.1999.<br />
&nbsp;&nbsp;&nbsp; * 7. &ldquo;Groeiende rol van gezinsdenken bij bevolkingspolitiek&rdquo;, Ellen de Waard, Inge van de Velde en Eric Krebbers. In: Fabel Archief.<br />
&nbsp;&nbsp;&nbsp; * 8. &ldquo;Rotterdamse allochtone kinderen gewild onderzoeksobject&rdquo;, Jeroen Breekveldt. Op: Werkplaats Biopolitiek-website.<br />
&nbsp;&nbsp;&nbsp; * 9. &ldquo;Zelfs Voltaire woonde samen met zijn nicht&rdquo;, Fouad Laroui. In: De Volkskrant, 14.11.2007. ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">519@http://biopolitiek.nl/pivot/</guid>
			<category>linkdump</category>
			<pubDate>Wed, 09 Jul 2008 00:00:00 +0100</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>INLEIDING</title>
			<link>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=135&amp;w=helix</link>
			<comments>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=135&amp;w=helix#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ <b></b><p><b>De dokter heeft als anticonceptiemiddel zes
hormoonstaafjes aangebracht onder de huid van je arm. En nu hoef je er
verder niet meer op te letten, want ze werken wel 5 jaar. Maar je hebt
telkens buikpijn. En ernstige bloedingen. Zal het aan de staafjes
liggen? Vast. De dokter weigert ze eruit te halen, je hebt immers
toegestemd mee te werken aan het experiment. Je pakt een mes en begint
die rotdingen uit je arm te snijden (India).</b></p><p><b>Of een ander
verhaal: Je stond in de rij bij het gezondheidscentrum voor een
tetanus-injectie. "Het is een gewone prik, net als we anders wel eens
toedienen, het is goed voor je" zeiden ze. Er staat een lange rij en de
vrouwen schuiven één voor één door naar de verpleeg­ster die de
injecties toedient. Sinds die dag werd je niet meer zwanger. Je wilt
graag nog een kind, maar het lukt niet. Een aantal andere vrouwen die
net als jij op die dag ook een injectie kregen, zijn sindsdien niet
meer zwan­ger geworden (Filipijnen).</b></p><b> </b><p><b>Of: De
predictortest laat zien dat je zwan­ger bent. Je bent blij, maar wilt
het voorlopig nog aan niemand vertellen. Je moet wachten. Wachten tot
je een vruchtwaterpunctie kunt laten doen. Dat duurt nog weken. En dan?</b></p>Stel dat ze een 'afwijking' zien, een handicap of ziekte? Abortus
wellicht, of heel misschien toch niet. Mag je je eigenlijk al wel
zwanger voelen? Of kun je daar maar beter mee wachten tot je de uitslag
van de vruchtwaterpunctie te horen krijgt? Vertel in ieder geval tot de
vijfde maand nog maar aan niemand dat je zwanger bent; stel dat het
toch wegge­haald moet worden (Nederland).</p><p>Deze brochure gaat
over de veronderstelling dat op aarde te veel mensen zouden leven. Er
zouden minder mensen geboren moe­ten worden. En de baby's die nog wel
geboren worden, behoren van een zoge­naam­de 'goede kwaliteit' te zijn.
Op basis van deze mening wordt concreet beleid gevoerd; er worden
geboortenbeperkingsprogramma's in praktijk gebracht, waarbij miljoenen
vrouwen voor langere tijd - of zelfs permanent - onvruchtbaar worden
gemaakt. Dit beleid is vooral gericht tegen vrouwen in het Zuiden
('Derde Wereld'), vrouwen van kleur, en vrouwen uit de lagere
economische klassen. Bevolkingspolitiek in het Noorden (rijke landen),
bestaat uit vergaande controle op de ongeboren vrucht om de
'kwaliteit­' van de foetus te onderzoeken: prenatale diagnostiek,
genenonderzoek, embryo-onderzoek. Wan­neer er een 'afwijking' wordt
gediagnostiseerd, raadt de gynaecoloog veelal een abortus aan. </p><p>Hoe
kan dit gedach­tengoed en beleid de laatste decennia zo sterk aanwezig
zijn? Wat is de geschiedenis en achtergrond hiervan? Jarenlang is er
een sterke bevolkingspolitieke lobby gevoerd om haar ideologie en
praktijk - in Noord en Zuid op verschillende manieren - gestalte te
geven. In deze brochure zal een historisch overzicht gegeven worden van
deze lobby, welke bestaat uit een internationaal netwerk van
invloedrijke personen uit organisaties ( o.a. VN-afdelingen) en
bedrijven. </p><p><i><b>'Overbevolking'</b></i><br  />De term
'overbevolking' is een passepartout-begrip waarmee men vermeende of
feitelijke misstanden benoemt. Het gaat hier om misstanden die ook
anders gedefinieerd kunnen worden. Bijvoor­beeld werkloosheid, honger,
vlucht, concurrentie om hulpbronnen, waterschaarste of woningnood. Deze
misstanden worden in de overbevolkingsideologie niet verwoord als
gevolgen van soci­aal-politieke machtsver­houdingen, maar als
natuurgegevens. Op deze manier worden de machtsverhoudingen
gelegitimeerd en de armen, gehan­dicapten, werklozen, vluchtelingen en
daklozen geproblematiseerd. Het begrip 'overbevolking' geeft altijd aan
dat be­paalde bevolkingsgroepen als 'overtollig' beschouwd worden.<br  />In
de eerste drie Helix-uitgaven is al naar voren gekomen dat we een brede
definitie van bevolkingspolitiek han­teren: het gaat dus niet alleen
over sterilisaties en vruchtwaterpuncties. Het begrip staat voor een
politiek die zich legitimeert met de 'overbevolkingsideologie'.</p> <p>De
term 'overbevolking' roept een gevoel van angst op voor een
veronderstelde op komst zijnde ramp, het appelleert aan beelden als die
van een naderende sprinkhanenplaag. Dagelijks worden we met allerlei
varianten van dit ideologische concept geconfron­teerd: de
'vluchtelingenstroom', de 'bevolkingsexplosie', de 'massa's frauderende
werklozen', de 'oprukkende islamieten'. De overbevolkingsideologie gaat
hand in hand met racisme, met het stigmatiseren van bevolkingsgroepen
als 'vreemdelingen' of 'onmaatschappelijken'. Kort gezegd, wil men met
deze ideologie de opvatting populariseren dat de 'welvarende, meestal
witte, beschaafde' burgers worden bedreigd door 'anderen'. Helaas is
deze ideologie succesvol. Veel mensen geloven inderdaad dat 'Nederland
vol is', dat er teveel mensen op de wereld zijn, dat er teveel
werklozen zijn en dat we iets tegen de 'islamisering' van 'onze'
samenleving moeten doen.</p><p>Er zouden 'teveel' mensen zijn. Hierbij
heeft men meer of minder direct genoemde bevolkingsgroepen voor ogen
die er 'eigenlijk niet hadden mogen zijn' en men stelt in feite het
bestaansrecht van deze bevolkingsgroepen ter discussie. Dit standpunt
vormt een reële bedreiging voor de men­sen die in Zuid en Noord tot
'overtollig' worden bestempeld. En dat merken we: de oorlog tegen de
armen en de zogenaamde 'onproduktieven' neemt wereldwijd in heftigheid
toe; niet alleen in het Zuiden, maar ook hier in Nederland. Hierbij
denken we aan de sociale aanval op WAO-ers, werklozen en anderen die
van een minimum inkomen moeten rondkomen. Ook duiden we op de
ontwikkelingen in de bio-ethiek; de discussies over het legaliseren van
moord op demente bejaarden en wilsonbekwame gehandicapten onder de
noemer 'euthanasie'. Een analyse van deze ontwikkelingen moet gekoppeld
worden aan het beleid dat sinds eind jaren 70, gericht is op het
verslechteren van de levensomstandigheden van deze groepen mensen. De
bioethiek staat niet op zich, maar wordt ontwikkeld in een
maatschappelijke context. Een context waarin de overheid sinds eind
jaren 70 bezuinigingen doorvoert op zorginstellingen. Hierdoor staan
mensen enerzijds jarenlang op wachtlijsten en anderzijds kan het
personeel de instellingsbewoners nauwelijks meer bieden dan een bed en
eten. Intussen leggen de verzekeringsmaatschappijen onbetaalbaar hoge
premies op aan mensen met een ziekte of handicap. Daarnaast zijn het
nog steeds voornamelijk vrouwen die - in hun eentje - voor de kinderen
zorgen. In deze context van bezuinigingen en het verworden van
sociaal-economische problemen tot een individueel te dragen risico,
plaatsen wij de bioethiek, de 'euthanasie'­discussie, het prenataal
screenen van ongeborenen op handicaps en het wel of niet hebben van
zelfbeschik­kingsrecht.</p><p><i><b>Nuttigheidsdenken</b></i><br  />Of je
gewenst bent in de mondiale samenleving - gezien vanuit de elites -
hangt af van je sociaal, politiek en economisch nut. Met andere
woorden, of je wel of niet gezien wordt als 'overbevolking' is
afhankelijk van de waarde van je arbeidskracht, zowel in de sfeer van
de productie, als in die van de reproductie.</p><p>Met productie wordt
bedoeld: alles dat geproduceerd wordt (goederen en diensten) om op de
markt te ruilen tegen geld, waarbij het uiteindelijke doel is winst te
maken. Onder de Reproductie valt alle arbeid waarmee de productie
telkens weer opnieuw mogelijk wordt. Reproductiearbeid bestaat zowel
uit betaald, als onbetaald werk: lesgeven op scholen, politie,
huishoudelijke arbeid, het krijgen en opvoeden van kinderen ...</p><p>Sinds
ongeveer 1500 leven we in West Europa in een kapitalistische
samenleving. In het kapitalisme is het streven naar winst dé motor van
ontwikkeling. De hele maatschappij werd en wordt daarom stap voor stap
in de loop van enkele eeuwen, steeds omvattender ingericht volgens dit
proces. Winst is het doel van de produktie. En de belangrijkste wet is
dat die winst telkens opnieuw gemaakt moet worden en daarbij ook nog
eens steeds opnieuw, in percentages, groter moet zijn. Dit noemt men
econo­mische groei. </p><p>Je kunt ook zeggen dat ondernemers, banken
en overheden zich voortdurend het hoofd breken over nieuw aan te boren
terreinen waar winst gemaakt kan worden. Terreinen waar gezocht wordt
naar arbeidskracht en natuur welke gebruikt kunnen worden ten bate van
commerciële exploitatie. De kapitaalverhoudingen zijn hierdoor altijd
een uitdrukking van sociale relaties, waarbinnen een strijd geleverd
wordt rondom het zelfbeschikkingsrecht van de mensen. Immers,
kapitaalbezitters willen de arbeids­kracht zo goedkoop mogelijk tot hun
beschikking hebben. Ook is het niet van belang of de omgeving vervuild
raakt met giftige stoffen.</p> <p>Wanneer 'van onderop' naar het proces
van economische groei wordt gekeken, wordt duidelijk dat
kapitalistische ontwikkeling een zeer gewelddadig en vernietigend
proces is. De sociale realiteit van vandaag bestaat uit een
confrontatie tussen vernieuwingsbelangen van kapitaal­bezitters
enerzijds en sociaal verzet anderzijds. De uitkomst van deze strijd
staat nooit van te voren vast en hangt af van de gegeven situatie. </p><p>De
huidige situatie kenmerkt zich door het steeds verder bin­nendringen
van het kapitaal in de reproductiesfeer. Werkelijk alles wil men
commercialiseren, want waar moeten anders de telkens grotere winsten
nog vandaan komen? In ieder geval niet alleen via het werk binnen de
productiesfeer. </p><p>In het Noorden is bijna ons hele dagelijks
leven al verkapitaliseerd: van vrijetijdsbesteding tot delen van de
gezondheidszorg, van sexualiteit (verwoest door pornografie) tot 'een
goed gesprek' (bij de kostbare NewAge therapeut). Zo valt bijvoor­beeld
ook het verdwijnen van het oorspronkelijke Nederlandse omroepbestel te
verklaren. Of een ander voorbeeld: vrouwen met opgroeiende kinderen
boven de 5 jaar worden verplicht buitenshuis te werken (steeds vaker
voor het minimumloon), terwijl tegelijkertijd buitenschoolse opvang
betaald moet worden door de ouders.</p> <p>Eveneens de ontwikkelingen
op het gebied van gentechnologie en nieuwe voortplantingstechnieken
zijn middels bovenstaande analyse te begrijpen. Vruchtbaarheid en
geboorte zijn bij uitstek privézaken, ondergebracht in de
reproductiesfeer. Ze zijn vervolgens a.h.w. 'ontdekt' door
kapitaalbezitters op hun speurtochten naar winst.</p> <p>Vercommercialisering
en verkapitalisering zijn synoniemen van elkaar. Maar niet alleen dat;
het zijn ook synoniemen van het begrip 'uitsluiting'. Des te meer
terreinen in het leven commercieel gemaakt worden, des te meer mensen
worden van deze terreinen uitgesloten, omdat ze geen geld hebben. De
mensen met geld zijn economisch nuttig als koop­krachtige groep en
tegelijkertijd vaak ook als arbeidskracht. De mensen zonder geld -
mondiaal gezien veruit de grootste groep - zijn óf nog bruik­baar
vanwege hun arbeidskracht, òf worden beschouwd als 'overbevolking'. In
feite vormen zij een constante en reële bedreiging voor
kapitaalbezitters, omdat zij voortdurend de strijd aangaan om hun
rechten op te eisen. Dit wordt uiteraard niet vaak zo scherp gesteld,
maar is herkenbaar in de vertogen bijvoorbeeld over milieuvernietiging,
zogenaamd veroorzaakt door de groei van de wereldbevolking (een
stelling die in het artikel van Heide Mertens in deze brochure wordt
ontkracht). Maar de zojuist genoemde uitsluitingsanalyse verklaart wèl
waarom het precies de armen en de gehandicapten zijn die de stempels
'overbevolking' en 'onwaardig leven' dragen. Het verklaart waarom juist
hun levensomstandigheden de laatste decennia (in Noord en Zuid)
drastisch verslechteren. Het maakt ook duidelijk waarom
neo-Malthusiaanse ideeën(1) opbloeien op een moment dat de bevolking in
het Zuiden massaal, bijna gratis, produceert voor de wereldmarkt, waar
de prijzen bepaald worden vanuit ongelijke ruilposities. Als
overlevingsstrategie trekken mensen naar plaatsen waar zij hopen
loonarbeid te vinden. Stedelijke armoedezones groeien, en tevens de
stroom migranten/vluchtelingen van wie een klein deel naar het Noorden
trekt. Als reactie probeert het Noorden haar grenzen voor deze mensen
te sluiten, zodat alleen kapitaal en goedkope grondstoffen, agrarische
en industriële produkten uit het Zuiden toegelaten worden. Maar toch
lukt het veel mensen, ondanks de marechaussee en politie, West Europa
of de V.S. binnen te komen. Wanneer zij een illegaal bestaan in de
industrielanden verkiezen boven terugkeer naar eigen land, zegt dat
genoeg over de situatie in hun thuisland.</p>  <p>We hebben een link
gelegd tussen bevolkingspolitiek en kapitalistische ontwikkeling. Een
link die in de Helix-teksten een centrale plaats in neemt. Vanuit deze
visie op mondiale tendensen hebben we gewerkt aan de vierdelige
brochurereeks over bevolkingspolitiek. In de 3 voorgaande delen werd
achtereenvolgens aandacht werd besteed aan de thema's: eugenetica,
jodenvervolging, 'euthanasie' tijdens en na het nationaalsocialisme,
het aborteren van foetussen met een handicap of ziekte, migratie en de
situatie van vluchtelingen. We hebben geprobeerd deze onderwerpen
vanuit een historisch en radikaal-links per­spectief aan de orde te
stellen en dat zullen we ook in dit deel over geboorte en
vruchtbaarheidsregulering weer doen. </p><p><i><b>Artikelen-indeling</b></i><br  />De
inhoud van deze brochure bestaat uit een aantal, uit het Duits
vertaalde artikelen. De twee eerste artikelen zijn van Ute Sprenger.
Zij is journaliste en sociologe in Berlijn en werkt al jaren in
vrouwenorganisaties aan het thema bevolkingspolitiek. In <b>Quinacrine - Chemische sterilisatie in Vietnam en Moderne geboortencontrole</b>
wordt informatie gegeven over (onder­zoek naar) de moderne
anticonceptiva: het sterilisatiemiddel Quinacrine, het
hormoonimplantaat Norplant en het vaccin tegen zwangerschap. Er is
gekozen voor deze bijdragen Sprenger als illustratie voor concreet
gevoerd beleid. De oorspronkelijke tekst van "Moderne
geboortencontrole" is ingekort vanwege een overlapping met een ander
artikel dat in deze brochure is opgenomen.</p><p>De volgende twee artikelen - die het zwaartepunt van deze brochure vormen - zijn beide van de hand van <b>Susanne Heim</b> en <b>Ulrike Schaz</b>. Zij geven een historische overzicht van de internationale bevolkingspolitieke organisaties, instellingen en lobby's in <b>VS en VN: De vrijheid van vruchtbaarheidsbestrijding</b>.
Beide artikelen bestrijken de periode vanaf de jaren 40 tot en met 1994
toen in Caïro de laatste VN-Wereldbevolkingsconferentie plaatsvond.
Heim en Schaz hebben in de Verenigde Staten onderzoek verricht naar de
instellingen die zich met bevolkingspolitiek bezig houden. Zij heben de
veranderingen in beleid en strategie bestudeerd en maken inzichtelijk
hoe de lobbygroepen voor bevolkingspolitiek in Derde Wereldlanden, erin
geslaagd zijn, in een tijdsbestek van 30 jaar, het idee van
'overbevolking' te introduceren. Dit is een proces geweest waarbij een
voortdurende wisselwerking plaatsvond tussen en binnen de verschillende
groepen, d.w.z. de bevolkingspolitici, de vrouwenbeweging en de mensen
die doelwit zijn van de familyplanningsprogramma's. Enerzijds
ontwikkelden de bevolkingpolitieke instellingen als de Population
Council en de AID, met behulp van particuliere fondsen als het Ford
Foundation of de Rockefeller Foundation, doelstellingen en beleid.
Anderzijds werden zij geconfronteerd met het gedrag van de bevolking in
India en Pakistan die weigerde de gezinsplanning toe te passen. Als
reaktie hierop werd het beleid opnieuw aangepast. Vervolgens kwam de
regering van Indira Ghandi ten val door het verzet tegen dit veranderde
beleid dat o.a. bestond uit gedwongen sterilisaties.</p><p>In het tweede artikel <b>Feminisering of Facelifting?</b>
wordt het feministische debat over bevolkingspolitiek behandeld. Dit
unieke en gedegen overzicht analyseert de rol van (het gekonkel binnen)
de vrouwenbeweging bij het tot stand komen van de huidige
bevolkingspolitieke situatie. In deze situatie is het namelijk zo dat
feministische vrouwen zitting hebben genomen in bevolkingspolitieke
instellingen, terwijl de uitvoering van het gewelddadige beleid (zie de
artikelen van Ute Sprenger) onverminderd doorgaat. Het beleid kreeg een
zogenaamd feministisch jasje, maar de doelstellingen en de
achterliggende ideologie en drijfveren veranderden niet. Een deel van
de vrouwenbeweging is hierin meegegaan; vooral vrouwengroepen die de
witte midden- en hogere klassen vertegenwoordigen.</p> <p>De laatste bijdrage, <b>Vrouwen, Natuur en Vruchtbaarheid</b> van <b>Heide Mertens</b>,
gaat in op de discussie over milieuvervuiling en bevolkingsgroei. Deze
twee zaken worden vaak in één adem genoemd waarbij tevens een
oorzakelijk verband wordt gesuggereerd. Mertens ontrafelt dit debat en
stelt dat niet de bevolkingsomvang bepalend is voor de toestand van het
milieu, en ook niet de technologische (on)mogelijkheden, maar de manier
waarop er geproduceerd wordt, veelal voor de wereldmarkt. Voorafgaand
aan Mertens' uiteenzetting is door Helix een korte inleiding geschreven
waarin met name het begrip "natuur" gedefinieerd wordt.</p><p><i><b>Nederland</b></i><br  />De
analyse van de vrouwenbeweging in het artikel van Heim en Schaz is ook
van belang voor een goed begrip van de hedendaagse Nederlandse
situatie. In 1995 gingen linkse feministische vrouwen als
vertegenwoordigsters van NGO's naar de officiële
VN-Wereldvrouwenconferentie, zij aan zij met minister Pronk van
Ontwikkelingssamenwerking en minister Melkert van Sociale Zaken. De
wereld op z'n kop, of is Nederland zo'n progressief land? Hoe­wel het
ministerie van Ontwikkelingssamenwerking onder aanvoering van Pronk
inderdaad een progressief image heeft, en door een rechtse partij als
de VVD bekritiseerd wordt, past haar beleid geheel in de neoliberale
lijn, waaraan ook sociaaldemokraten zich hebben aangepast. In dit
beleid wordt zowel de politiek van het IMF en de Wereldbank, als die
van organisaties als de UNFPA en de WHO ondersteund. </p><p>De visie van waaruit het ministerie van Ontwikkelingswerk werkt, wordt in haar jaarverslag van 1996 (2) als volgt verwoord: "<i>Zwakke
staatsstrukturen, intrastatelijke conflicten, bevolkingsgroei en
milieudegradatie vormen steeds vaker oorzaak en gevolg van armoede en
menselijke leed</i>" (pagina 14). Opnieuw wordt bevolkingsgroei - en
daarmee de vruchtbaarheid van vrouwen - geproblematiseerd en niet de
onontkoombare druk die op het Zuiden wordt gelegd om hun economieën,
ten koste van de bevolking, af te stemmen op de economische en
militaire belangen van rijke landen. </p> <p>De UNFPA (dit is het
VN-Bevolkingsfonds; haar voornaamste doel is een afname van de
bevolkingsgroei) ontving in 1996 f. 83,50 miljoen van het ministerie
van Ontwikkelingssamenwerking, ruim 13 miljoen meer dan in 1995,
terwijl de bijdragen van andere donoren verminderd was (jaarverslag,
pag. 213). De Nederlandse bijdrage aan de WHO
(VN-Wereldgezondheidsorganisatie, welke een belangrijke rol speelt in
bevolkingspolitiek) bestond in 1996 uit US$ 6,4 miljoen verplichte
contributie en f. 30 miljoen vrijwillige donatie. Nederland is één van
de belangrijkste donoren van de WHO (pag. 221). Aan het IMF
(Internationaal Monetair Fonds) is f. 23,50 betaald. Wat betreft de
ondersteuning aan de Wereldbank schrijft men in het jaarverslag: "<i>De
cofinanciering tussen Nederland en de Wereldbank met bilaterale
hulpgelden bedroeg in 1996 f. 381 mln. voor ongeveer 60 aktiviteiten in
28 landen of regio's. In het merendeel van de gevallen was sprake van
joint cofinanciering, waarbij de Wereldbank de leiding heeft. (...)
Nederland kiest voor deze cofinanciering omdat dan aangesloten kan
worden bij de condities van de Wereldbank</i>" (pag. 225). Met deze
condities doelt men op de voorwaarden die aan een land gesteld worden
bij het geven van financiële steun. Zo zijn landen verplicht te
bezuinigen op de gezondheidszorg, het onderwijs en de voedselsubsidies
om hun economie af te stemmen op de internationale markteconomie. Ook
worden er milieueisen gesteld; bijvoorbeeld een quotum voor het te
kappen regenwoud (terwijl er m.n. gekapt wordt door de armste boeren
die land nodig hebben om te overleven, of door multinationals als Mc
Donnalds, of voor de export van hardhout naar de rijke landen). De
financiële condities, die omschreven zijn in een "Struktureel
aanpassings Programma", betekenen vooral voor de allerarmsten een
verslechtering van de levensomstandigheden.</p><p><i><b>Conclusie</b></i><br  />Ondanks
de verontrustende conclusie dat de lobby voor bevolkingspolitiek - in
enkele decennia - zeer sterk is geworden, kunnen we uit de historische
beschrijving van Susanne Heim en Ulrike Schaz ook opmaken dat het leven
nooit geheel bepaald kan worden door programma's, beleid, maatregelen
en projecten die van bovenaf opgelegd worden: het gaat om de
wisselwerking tussen dit beleid, onze reacties en de reacties van
anderen. De uitkomst van de geschiedenis staat immers niet van te voren
vast en tenslotte is "<i>de mens de enige en soevereine meester over zijn lot, mits hij dat wil zijn; (...) en daarin zit hem het opti­misme</i>" (3).</p><p aling="right">Helix, werkgroep tegen bevolkingspolitiek</p><p><b>Noten:</b><br  />1.
Malthus publiceerde in 1798 het boek "Essay on the Principle of
Population - as it effects the future omprovement of society". Hierin
legde hij de oorzaak van armoede bij de bevolkingsgroei. Volgens zijn
theorie zou de bevolkingsomvang 'natuurlijkerwijs' veel sneller stijgen
dan de groei van de voedselproductie. Hij schreef deze theorie precies
in de tijd dat in Engeland massale armoede was ontstaan vanwege de
industriële revolutie. Nog tijdens zijn leven is zijn stelling
wetenschappelijk omver gehaald. Maar na zijn dood is zijn werk vaak
weer aangehaald ter legitimatie van de strijd tegen de armen (zie ook
He­lix-brochu­re deel 2). De Malthusiaanse ideeën kun je in Nederland
niet specifiek toeschrijven aan linkse of rechtse groeperingen. Van
extreem-rechts tot radicaallinks wordt dit gedachtengoed geuit. In
september 1996 bijvoorbeeld verkondigde Wim Kok het nog in een
toespraak voor de universiteit van Wagenin­gen.<br  /> 2.    Jaarverslag Ontwikkelingssamenwerking '96, het Nederlandse beleid: feiten en achtergronden, Den Haag, ISBN 90-5328-133-9<br  />3.    Simone de Beauvoir, Oog om Oog - Essays -, Goossens 1989,    pag. 28.</p> ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">135@http://biopolitiek.nl/pivot/</guid>
			<category>Helix</category>
			<pubDate>Thu, 10 Feb 2005 16:37:00 +0100</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>H1. QUINACRINE: CHEMISCHE STERILISATIE IN VIETNAM</title>
			<link>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=231&amp;w=helix</link>
			<comments>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=231&amp;w=helix#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ <h3> Onenigheid in wetenschappelijke kring</h3>
<br  />
<b>Sinds vorig jaar zomer[1] is er sprake van een
zekere onrust in kringen van onderzoeker(ster)s naar
voorbehoedmiddelen. Een Vietnamese wetenschapper had een chemische
sterilisatietechniek met een antimalariamiddel op meer dan 30.000
vrouwen getest en hierover in het Engelse medische tijdschrift The
Lancet gepubliceerd. Sindsdien wordt er gediscussieerd middels
ingezonden brieven en op bijeenkomsten van wetenschappers, over
technische gegevens en de ethiek van onderzoekers, de verhouding tussen
risico's en baten bij voorbehoedmiddelen en over richtlijnen bij
klinische experimenten.</b></p><p><font face="Arial"><b><i>Over de voorgeschiedenis:</i></b><br  />
De Vietnamese regering - op weg naar een marktgeoriënteerde economische
politiek - heeft vanaf begin jaren 90 haar bevolkings en
familyplanningspolitiek aangescherpt. De bevolking van 70 miljoen
inwoners, zo vreest men, zou zich anders binnen 30 jaar verdubbelen.
Bij deze politiek richt men zich op gezinnen met twee kinderen waarbij
uitgegaan wordt van een bevolkingsgroei van 20 procent tot de
eeuwwisseling. Dit is gebaseerd op de huidige situatie waarin 33
procent van de vrouwen gebruik maakt van moderne voorbehoedmiddelen en
-methoden. Van het jaarlijkse gezondheidsbudget dat bestaat uit 2
dollar per hoofd van de bevolking, gaat op dit moment 20 cent naar de
bevolkingspolitiek. Abortus is legaal en gratis. Bovenaan de lijst van
moderne voorbehoedmiddelen die door Vietnamese vrouwen worden gebruikt,
staat het spiraaltje waarvan er alleen al in 1990 een miljoen werden
gebruikt. Hetzelfde jaar gebruikten 223.000 vrouwen de pil en lieten
23.000 vrouwen zich steriliseren. De sterilisatiegraad van de
plattelandsvrouwen is naar de mening van de familyplanningsexperts met
2,7% echter veel te laag om op langere termijn de demografische groei
te kunnen beïnvloeden. In Vietnam wordt daarom, net als elders,
onderzoek verricht naar vereenvoudigde sterilisatietechnieken die
goedkoop en tegen geringe medische kosten in
family-planningsprogramma's kunnen worden ingezet. </font></p>


<p><font face="Arial">Tijdens de inventarisatie van tot dusver
niet-chirurgische sterilisatiemethoden, stootte professor Do Trong Hieu
van de moeder-kind afdeling van het Vietnamese
family-planningsprogramma, op een methode die in de jaren 70 in Chili
was ontwikkeld. Met geld van het Amerikaanse Family Health
International (FHI) had een team rondom Jaime Zipper in Chili
geëxperimenteerd met het malariamiddel quinacrine. Van dit middel was
bekend dat het een verharding van bindweefsel veroorzaakt. Zipper
ontdekte dat wanneer quinacrine in de baarmoeder wordt gedruppeld, het
hier ontstekingen en woekering veroorzaakt en zodoende een mogelijkheid
biedt om de eileiders af te sluiten. De werkzame stof werd vervolgens
in kogeltjes geperst en voor de eileider in de uterus aangebracht met
behulp van een staafje dat bedoeld is voor het inbrengen van koperen
T-spiraaltjes. Na een aantal toxicologische onderzoeken op dieren gaf
het Amerikaanse bureau FDA (dat beslissingen neemt over het toelaten
van geneesmiddelen) begin jaren 80 toestemming voor een klinische
testfase 1 met het middel quinacrine. Hiervoor werden vrouwen in San
Antonio (Texas) getest, bij wie 24 uur later de baarmoeder werd
verwijderd. Zo hadden de onderzoekers de mogelijkheid de verwijderde
baarmoeder te ontleden om de uitwerking van de quinacrine-pillen op het
weefsel en het spierstelsel te onderzoeken.</font></p>


<p><font face="Arial">Professor Do Trong Hieu, enthousiast over de
eenvoudig uit te voeren sterilisatietechniek met quinacrine, vond de
methode&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; betrouwbaar en voldoende ontwikkeld om op grote schaal te
testen. Met steun van het Vietnamese ministerie van volksgezondheid
organiseerde hij vanaf 1989 een gigantische campagne waarbij binnen 46
maanden bijna 32.000 vrouwen met quinacrine op chemische wijze werden
gesteriliseerd. De FHI was en is hierbij betrokken evenals haar
oprichter Dr. Elton Kessel, die professor Hieu met zijn vakkennis ter
zijde staat.</font></p>


<p><font face="Arial">Tenslotte werkte Kessel al met Jaime Zipper samen
bij z'n eerste serie proeven in Chili. Bovendien werkte hij naar eigen
zeggen vanaf 1982 mee aan voorstellen voor klinische testen met het
middel in China, India, Indonesië, de Filipijnen en Vietnam en bij
informele experimenten in enkele andere landen. In 1991 had hij
bovendien - zij het zonder succes - zelf een verzoek tot
medefinanciering van een eigen quinacrine-studie bij de UNFPA gedaan.
Bij dergelijke verzoeken gaat de UNFPA af op technisch advies van de
WHO. Deze raadde echter aan eerst verder toxicologisch onderzoek te
doen naar mogelijke geslachtsverminking.</font></p>


<p><font face="Arial">Tot nu toe zijn er naar schatting 70.000 vrouwen,
in verschillende landen uit het Zuiden, voor wetenschappelijk onderzoek
behandeld met quinacrine. Bij de WHO bekritiseert men de experimenten
omdat noch de protocollen, noch de bij de klinische testen gebruikte
methoden controleerbaar zijn.</font></p>


<p><font face="Arial">Het Vietnamese experiment, waarbij 1307 artsen en
vroedvrouwen uit 24 provincies waren betrokken, begon in januari 1989
en duurde tot oktober 1992. De vrouwen zouden op basis van bepaalde
selectiecriteria moeten worden uitgekozen, waaraan men zich in de
praktijk niet altijd hield. De vrouwen zouden tenminste 30 jaar moeten
zijn en minstens drie levende kinderen moeten hebben. Vrouwen met
baarmoeder-ontstekingen werden het eerst behandeld. Ze waren allemaal
seksueel actief en gebruikten - nadat ze quinacrine toegediend hadden
gekregen - geen andere voorbehoedmiddelen. Omdat het echter enige tijd
kan duren voordat de eileiders door de ontsteking en vergroeiing
gedicht zijn en daarnaast de methode niet altijd tot sterilisatie
leidt, werden gedurende het wetenschappelijk onderzoek 818
zwangerschappen geregistreerd, waarvan 19 buiten-baarmoederlijk. De
meeste zwangerschappen werden afgebroken.</font></p>


<p><font face="Arial">Na tweeënhalve maand werd er na een
quinacrine-behandeling een foetus met waterhoofd geboren. Toch legden
Hieu en de andere onderzoeksleiders geen verband. Hun vermoeden luidde:
"Hoge doses chemicaliën die in de agrarische sector worden gebruikt,
veroorzaken zoals bekend deze geboortedefecten". Van de groep vrouwen
brachten er 80 baby's ter wereld, van wie 79 na medische onderzoeken
"geen wezenlijke misvormingen" hadden. Een vrouw die 11 maanden
quinacrine had gebruikt kreeg een doodgeboren kind. Hoewel Hieu beweert
dat de bijwerkingen over het algemeen zeer gering waren, spreken de
resultaten uit een deelstudie met 508 vrouwen in de provincie Namha
boekdelen: ongeveer 15 procent van de vrouwen kreeg buikpijn nadat hen
quinacrine was toegediend, 23 procent klaagde over een brandend gevoel
in de vagina, 20 procent over hoofdpijn en ongeveer 25 procent had een
veranderde menstruatie.</font></p>


<p><font face="Arial">Negen van de 31.781 vrouwen die werden behandeld
en onderzocht gedurende de 46 maanden van het
experimentele-chemische-sterilisatieonderzoek, moesten het met ernstige
(enkelen zelfs met levenslange) gevolgen voor hun gezondheid betalen,
nadat hun lichamen voor de ambitie van wetenschappers en demografische
waanzin waren misbruikt.</font></p>


<p><font face="Arial">Hier de 9 individuele "gevallen":</font></p>


<font face="Arial">*&nbsp;&nbsp;&nbsp; Twee vrouwen kregen last van
ernstige bloedingen; de één&nbsp;&nbsp; direct, de ander na een jaar
quinacrine te hebben gebruikt.<br  />
*&nbsp;&nbsp;&nbsp; Van een vrouw werd de baarmoeder verwijderd, vanwege hevige pijn
en uitblijven van menstruatie, zes maanden na de sterilisatie
(hysterectonomie).<br  />

*&nbsp;&nbsp;&nbsp; Een vrouw kreeg pre-menstruele pijn en dysmenorrhoe.<br  />

*&nbsp;&nbsp;&nbsp; Een vrouw leed na 18 dagen quinacrine aan PID (Pelvic Inflamation Disease).<br  />

*&nbsp;&nbsp;&nbsp; Een vrouw leed aan allergische reacties (hevige jeuk).<br  />
*&nbsp;&nbsp;&nbsp; Twee vrouwen ontwikkelden, tijdens het onderzoek,
baarmoederhals-vergroeiingen; bij de één werd het cervix-kanaal breder
gemaakt en bij de ander werd de baarmoeder verwijderd.<br  />
*&nbsp;&nbsp;&nbsp; Van een andere vrouw moest de baarmoeder worden verwijderd toen ná
de experimenten, vergroeiing van de baarmoederhals werd geconstateerd.</font>

<p><font face="Arial">Professor Do Trong Hieu, die in 1993 nog trots
was op de effectiviteit van de quinacrine-methode in vergelijking met
de kortdurende voorbehoedmiddelen, berekende hoe in Vietnam de komende
vijf jaar 7,8 miljoen chemische sterilisaties konden worden uitgevoerd:
de 1307 betrokken artsen en verpleegsters hoefden slechts 100 vrouwen
per maand te steriliseren. Maar hij raakte nu, voor hem en zijn
begunstiger Kessler blijkbaar geheel onverwacht, verstrikt in een
heftige controverse van collega's. Al kort na publicatie van de
gebeurtenissen kwamen de Association for Voluntary Surgical
Contraception (AVSC) en de Wereldgezondheidsorganisatie naar buiten en
waarschuwden voor de toepassing van deze methode. De AVSC betwijfelt de
effectiviteit en veiligheid van de techniek en vraagt zich af hoe
vrijwillig en geïnformeerd de vrouwen dan wel tot deelname aan het
experiment hadden besloten. De WHO bekritiseerde het feit dat het
anti-malariamiddel quinacrine, dat met het oog op sterilisatie
ingebracht werd in de baarmoeder, voor dit doel nog niet voldoende was
getest op haar kankerveroorzakende werking. Hier zouden "verdere stadia
van klinische testen met een zorgvuldige toxicologische evaluering aan
vooraf moeten gaan", eist daarom Giuseppe Benagiano, chef van het
WHO-reproductieonderzoek.</font></p>


<p><font face="Arial">"Het perspectief in Hanoi kan heel anders zijn
dan in London, Genève of New York", antwoordt professor Malcolm Potts
die al decennia lang binnen de bevolkingslobby werkzaam is en
persoonlijk voor het International Project Assistance Fund naar Vietnam
reisde. "Het gebrek aan financiële hulpbronnen in Vietnam beperkt de
keuze van de family-planning", meent Potts. Bovendien zou in Vietnam
ook teveel van spiraaltjes en abortussen worden verwacht. De
quinacrine-methode is op lange termijn als voorbehoedmiddel weliswaar
niet zo veilig, maar desondanks zouden de meeste voormalige
gebruiksters van het spiraaltje de voorkeur geven aan quinacrine. Potts
vindt het bovendien zeer bevoogdend wanneer internationale organisaties
de criteria bepalen voor het onderzoek naar technieken waar in het
Zuiden dringend behoefte aan zou zijn. Dit soort dubbele normen (nl.
voor het Zuiden andere dan voor het Noorden) t.a.v. onderzoek wordt
echter van verschillende kanten afgewezen. Giuseppe Benagiao van de WHO
is hier een tegenstander van, evenals Rashidah Abdullah van de Asian
Pacific Resource and Research Centre for Women.</font></p>


<p><font face="Arial">"Internationale veiligheidsnormen voor
voorbehoedmiddelen en -technieken kunnen toch niet van de demografische
doelstellingen van een land afhankelijk zijn", reageert Abdullah
verontwaardigd. De voorkeur van vrouwen voor quinacrine ligt volgens
haar aan ontevredenheid over het spiraaltje en de geringe
keuzemogelijkheden of alternatieven. Zeer bedenkelijk vindt Abdullah de
gelijkschakeling van het inbrengen van een spiraaltje met de toepassing
van quinacrine. Daardoor was het mogelijk "dat vrouwen niet goed weten
dat de ene methode permanent is en de andere niet".</font></p>


<p><font face="Arial">Nadat het quinacrine-programma al in 33
provincies werd uitgevoerd, reageerde het Ministerie van
Volksgezondheid in Hanoi&nbsp;&nbsp;&nbsp; in december '93 op de wetenschappelijke en
ethische debatten met het stopzetten van de experimenten. Tot groot
verdriet van Hieu, Potts en Kessler die nadien o.a. in The Lancet hun
hart hebben gelucht over het verloop van de publieke discussie. Door
welke boze machten in ieder geval Kessler zich bedreigd ziet, maakte
hij in september '94 duidelijk in een commentaar in The Lancet. In dit
commentaar beklaagde hij zich over een WHO-bijeenkomst waar onlangs
werd gediscussieerd over de bezwaren van feministen t.a.v. onderzoek
naar voorbehoedmiddelen en technieken. Dat, waarschuwde Kessler, zou
ernstige consequenties ten gevolge hebben, want "feministische groepen
zouden regeringen of fondsorganisaties kunnen beïnvloeden. Ze zouden
directe invloed kunnen uitoefenen op het onderzoek naar anticonceptie".</font></p>


<p><font face="Arial">[1] Noot Helix: 1993</font></p> ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">231@http://biopolitiek.nl/pivot/</guid>
			<category>Helix</category>
			<pubDate>Wed, 09 Feb 2005 12:29:00 +0100</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>H2. MODERNE GEBOORTENCONTROLE</title>
			<link>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=232&amp;w=helix</link>
			<comments>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=232&amp;w=helix#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ <font face="Arial"><b>Björn Oddens, hoofd van het onderzoek naar
voorbehoedmiddelen bij de International Health Foundation (IHF/USA),
zei in 1994 dat men - tot de tweede helft van deze eeuw - aan
voorbehoeding heeft gedaan "zonder dat dit grote effecten heeft gehad".
Oddens houdt zich vooral bezig met anticonceptie in de industrielanden
en prees tijdens een bijeenkomst van de Nederlandse pillenproducent
Organon, het "succes van de moderne, effectieve voorbehoedmiddelen" die
vanaf de jaren zestig beschikbaar zijn gekomen (Oddens 1994). Zo ziet
men het ook bij het Duitse farmaceutische concern Schering, de grootste
concurrent van Organon op het gebied van de hormonale middelen.
Schering, welke met de nieuwe naoorlogse voorbehoedstechnologieën
jaarlijks positieve saldo's boekt, stelt dat er pas een "betrouwbare
methode" is gekomen met de ontwikkeling van de pil (Schering 1990).</b></font></p><p><font face="Arial">Een blik op Japan corrigeert echter dit beeld:
daar, waar abortus sinds 1948 gelegaliseerd is, wordt vooral het
condoom en de cyclus-onthoudings-methode van de Japanse arts Ogino,
gebruikt. Tot leedwezen van veel pillen-apologeten zijn de hormonale
ovulatieremmers in Japan al sinds lange tijd alleen op therapeutische
basis toegestaan. En ook het spiraaltje is niet verkrijgbaar. Net als
andere regeringen van industrielanden, klaagt de Japanse regering sinds
enige jaren over een "bevolkingsafname" en "vergrijzing".&nbsp; Vanaf het
begin van de jaren 90 zouden de Japanse vrouwen met behulp van een
brede pro-nataliteits campagne, weer gestimuleerd moeten worden om
kinderen te krijgen.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Dat de Japanse anticonceptie-markt nog
niet gemoderniseerd is in het belang van de internationale
farmaceutische concerns, vloeit niet zozeer voort uit het beleid van
nationale gezondheidszorg, noch van de woede en inzet van Japanse
feministen. Het gebruik van condoom en de veilige abortus methoden, is
veel eerder het resultaat van sterk economisch gemotiveerde
lobbygroepen van artsen. Zij vrezen namelijk dat met een introductie
van laaggedoseerde pillen, het aantal abortussen zal dalen. Artsen
strijken namelijk behoorlijk veel extra zwart inkomen op, doordat
abortus in Japan particulier betaald wordt. Voorlopig heeft deze lobby
een sterke positie kunnen handhaven.</font></p>


<p><font face="Arial">Terwijl er begin jaren 90, in de directies van de
farmaceutische concerns nog gehoopt werd op een openstelling van de
Japanse markt voor de pil, stelde de nationale gezondheidsorganisatie
begin 1992, het besluit over het toelaten van orale anticonceptie als
voorbehoedmiddel, voor onbepaalde tijd uit. Hooggedoseerde pilsoorten
zijn als voorheen verkrijgbaar gebleven, zoals Enovid, de pil die in
1960 als eerste hormonale voorbehoedmiddel in de VS op de markt kwam.
Deze pillen worden echter alleen voorgeschreven bij bijvoorbeeld
menstruatiestoornissen, maar vermoedelijk grijpen van de geschatte
800.000 gebruiksters, ettelijke ook naar deze legale hormoonbommen voor
anticonceptie-doelen, met aanzienlijke gezondheidsrisico's.</font></p>


<p><font face="Arial">Hoewel ook de internationale hoofdrolspelers van
de bevolkingspolitiek bekend zijn met de Japanse verhoudingen aangaande
anticonceptie en Japan tot de belangrijkste financiers behoort van
bevolkingspolitieke programma's behoort, worden de "traditionele"
methoden van vruchtbaarheidsregulering waar mogelijk in diskrediet
gebracht en afgeschilderd als achterhaald en ineffectief. Uiteraard
plaatst men de "moderne", "effectieve" anticonceptie&nbsp; hier tegenover.
Zo wordt gesuggereerd dat er met modernere anticonceptiemiddelen - in
tegenstelling tot voorbehoeding via de traditionele methoden - een
absolute zekerheid geboden wordt.</font></p>


<p><font face="Arial">Dat de zekerheid van de barrière en andere zelf
te gebruiken middelen ervan afhangt, in hoeverre de gebruiksters
genformeerd en gemotiveerd zijn en dat feitelijk geen enkel middel -
noch modern, noch traditioneel -&nbsp; 100% garantie biedt, valt te vernemen
wanneer je heel precies luistert. De beeldvorming rondom "effectiviteit
en zekerheid" is echter geheel gericht op algemene veranderende
verwachtingen over nieuwe vruchtbaarheidsregulerende methoden. Moderne
anticonceptie geldt als een zogenaamd onderdeel van een
civilisatieproces, als voortzetting van een "moderne ontwikkeling",
waarin rationaliteit en planbaarheid centrale begrippen zijn.</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Onderzoek en ontwikkeling</i></b><br  />
Het onderzoek naar moderne anticonceptiva en haar ontwikkeling, was al
vanaf het begin niet gericht op de behoeften van vrouwen, maar op
technologische en/of politieke belangen. Behoeften van vrouwen
speelden, noch in de jaren 50 en de vroege jaren 60 bij het ontwikkelen
van orale anticonceptiva zoals de pil en intrauterin-pessaria, noch bij
de hierop volgende hormonale injecties, implantaten en nieuwe
sterilisatietechnieken serieus een rol. Feitelijk waren het
demografische doelstellingen, bevolkingspolitieke strategieën en
markt-overwegingen van de farmaceutische industrie, die resulteerden in
de zoektocht naar "moderne" methoden voor geboortencontrole.</font></p>


<p><font face="Arial">Hetgeen de afgelopen 20 jaar is veranderd, is
enkel de betrokkenheid van de farmaceutische industrie in het bereik
van 'onderzoek en ontwikkeling'. Nadat de hormonale voorbehoedmiddelen
zich in de 70er jaren op de wereldmarkt vestigden en min of meer&nbsp;
risicoloze winsten garandeerden, trok de farmaceutische industrie van
de VS en West Europa, die in de jaren 50 en 60 nog verwikkeld waren in
een nek aan nek race om de toegang tot de nieuwe winst-belovende
deelmarkt, zich vergaand terug uit de onderzoekssector. In 1970 waren
13 bedrijven actief op het gebied van onderzoek, waarvan 8 uit de VS.
Tegenwoordig zijn het er nog vier; drie in Europa, namelijk Organon,
Schering en Roussel Uclaf en als vierde het Noord Amerikaanse bedrijf
Ortho.</font></p>


<p><font face="Arial">Oorzaak van deze concurrentieslag lag in de
toenemende gerechtelijke voorschriften en de daarmee samenhangende
beperkingen t.a.v. préklinische en klinische experimenten. Dit had de
kosten van de onderzoekssector omhoog geschroefd. Daarbij kwam de
steeds luider waarneembare kritiek van de vrouwenbeweging en de
strijdlust van de consumentes die schade hadden geleden door de
anticonceptiva, hetgeen hinderlijke gevolgen bleek te hebben voor het
op de markt brengen van nieuwe produkten [1].</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Zo zijn sinds 1968 slechts drie nieuwe
stoffen op de markt gekomen. De farmaceutische industrie gaf er de
voorkeur aan de reeds bestaande middelen onbeduidend te veranderen en
nieuwe manieren van reclame en verspreiding te vinden.</font></p>
<font face="Arial">&nbsp;&nbsp;&nbsp; 

</font>
<p><font face="Arial">In de navolgende jaren werden de middelen
gepromoot door particuliere en openbare instituten die zich bezig
hielden met bevolkingspolitiek, zoals de grote VS-stichtingen Family
Health International (FHI) en de Population Council, de Amerikaanse
nationale gezondheidsraad NIH, en ook de Wereld Gezondheids Organisatie
(WHO), welke de wereldwijde activiteiten coördineert (Kaeser 1990;
Sprenger 1985).</font></p>


<p><font face="Arial">Mahmoud F. Fathalla, die tot begin jaren 90 het
onderzoek naar voorbehoedmiddelen leidde bij de WHO, bevestigt deze
ontwikkeling van de laatste 40 jaar.: "Wanneer de eerste anticonceptie-
revolutie middels demografisch doelstellingen aangedreven werd, waarbij
de nadruk lag op de ontwikkeling van middelen die effectief,
langwerkzaam en algemeen verkrijgbaar waren, dan kan het hedendaagse
onderzoek naar anticonceptie en haar ontwikkeling het beste getypeerd
worden als het streven naar mogelijkheden. Vanwege slechte
financiering, volgen wetenschappers alle hen geboden mogelijkheden en
de industrie waagt zich enkel aan marginale verbeteringen of
modificaties van reeds bestaande produkten" (Fathalla 1994).</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Langwerkende methoden krijgen prioriteit</i></b><br  />
Family-planningsprogramma's in landen van het Zuiden, zijn in eerste
instantie geconcentreerd op de verspreiding van "moderne"
voorbehoedmiddelen. De redenen van vrouwen om wel of geen kinderen te
krijgen zijn verschillend. Sociale, culturele, economische en
psychologische factoren spelen hierbij een rol. De verengde blik van de
bevolkingspolitici richt zich echter vooral op vragen rondom
technologie en de acceptatie van technologische middelen. Hierdoor
wordt het aanbod bepaald. Wanneer vrouwen in het Zuiden advies vragen
ten aan zien van voorbehoeding en daarvoor aankloppen bij de
family-planningsprogramma's, wordt hen in de regel nauwelijks meer
aangeboden dan de keuzemogelijkheid tussen meer of minder ingrijpende
voorbehoedmiddelen en -methoden.</font></p>


<p><font face="Arial">En in toenemende mate worden hierbij langwerkende
methoden aangeprezen, die niet overeenkomen met de behoeften van de
gebruiker/ster en die goedkoop en gemakkelijk toe te passen zijn, zodat
ze vooral in de regio's bruikbaar zijn waar nauwelijks medische zorg
aanwezig is. Sinds de vroege jaren zestig is men al op zoek naar
dergelijke methoden, die vanuit demografische en politiek-financiële
aspecten gezien, beschouwd worden als "effectief": spiraaltjes,
prikpillen, implantaten, inentingen tegen zwangerschap en omkeerbare
sterilisatietechnieken. het zijn alternatieven voor de moeilijker
uitvoerbare chirurgische oplossing, sterilisatie.</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Hormonale implantaten</i></b><br  />
Een techniek ter voorbehoeding, die de laatste jaren in toenemende mate
ingezet wordt in de family-planningsprogramma's in het Zuiden, is het
implantaat Norplant: zes flexibele siliconen capsules, elk ter grootte
van een lucifer, die in de bovenarm van een vrouw op een rijtje onder
de huid geplaatst worden. Vijf jaar lang geven deze capsules het
hormoon Levonorgestrel af, dat een zwangerschap voorkomt. Bijna alle
vrouwen die het implantaat dragen ervaren&nbsp; ernstige veranderingen in
hun menstruatie: van continue bloedingen tot een volledig uitblijven
van de bloedingen. Verdere bijwerkingen van Norplant die genoemd worden
in de Populations Reports, een tijdschrift uit de VS van het Population
Information Program zijn: "hoofdpijn, nervositeit, misselijkheid,
duizeligheid, huiduitslag, acne, veranderingen in de eetlust,
haaruitval, haargroei in het gezicht en op de rest van het lichaam,
borstveranderingen en vergrotingen van de follikels". Daarom zou voor
het gebruik van deze methode "een hoge kwaliteit van de
gezondheidszorg" noodzakelijk zijn, aldus het Population Report van
1992.&nbsp;&nbsp;</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Al sinds het midden van de jaren 70 werd
Norplant getest in Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse
landen. In regio's dus, waar de gezondheidszorgsystemen onder druk van
de structurele-aanpassingsprogramma's[2] voortdurend zijn afgebroken.
Tegenwoordig is het voornaamste afzetland van Norplant, Indonesië. Het
Indonesische regime heeft een demografisch doel: tot het tijdbestek van
2035-2050 moet de bevolkingsgroei zijn teruggebracht van 1,8 naar nul.
Ongeveer de helft van de Indonesische vrouwen in de leeftijd van 15 tot
45 jaar gebruiken moderne anticonceptiemiddelen. Naast pillen,
spiraaltjes en prikpillen wordt ook Norplant steeds vaker aangeboden in
de family-planningscentra. Naar schatting dragen zo'n 2 miljoen
Indonesische vrouwen inmiddels de met Norplant gevulde siliconen
capsules in hun arm.</font></p>


<p><font face="Arial">Professor Biran Affandi, die Norplant op grote
schaal getest heeft in Indonesië, maakt evenwel melding van een hoog
uitvalpercentage, doordat de vrouwen de sterke bloedingen niet
accepteren. Desondanks wil de regering ieder jaar 300.000 nieuwe
vrouwen recruteren (Population Report 1992). Er zijn twijfels geuit of
vrouwen die op zoek zijn naar een individuele oplossing&nbsp; voor problemen
rondom voorbehoeding, met zulke streefcijfers en doelstellingen nog
serieus geadviseerd worden. Bij voorkeur wordt hen Norplant aangeboden
en vervolgens verklaard men dat zij "vrijwillig" voor deze langwerkende
methode gekozen hebben, zonder dat zij kennis konden nemen van
alternatieven.</font></p>


<p><font face="Arial">In de VS verhinderden strijdbare gezondheids- en
vrouwenorganisaties jarenlang de toelating van Norplant. Pas eind 1990
kreeg het farmaceutische bedrijf Wyeth groen licht voor de markt in
eigen land. Vanwege de geneesmiddelen-wetgeving in de VS, waarin staat
dat dergelijke produkten alleen geëxporteerd mogen worden wanneer ze op
de eigen binnenlandse markt zijn toegestaan, kan het implantaat nu nog
in sterkere mate geleverd worden aan de landen in het Zuiden.</font></p>


<p><font face="Arial">Maar ook in de VS zelf zijn er bevolkingsgroepen
van wie men vindt dat het geboortencijfer "effectief" zou moeten
afnemen. Inmiddels liggen er namelijk de eerste resultaten van studies
over het gebruik van Norplant sinds haar toelating in de VS. Ongeveer
600.000 vrouwen en meisjes hebben in de periode tot eind 1993 het
implantaat onder de huid aangebracht gekregen. In diverse staten wordt
Norplant, dat zo'n 600 VS-dollar kost wanneer het particulier wordt
aangebracht, gesubsidieerd. Inmiddels blijkt uit deze studies dat het
daadwerkelijk in de eerste plaats sociaal benadeelde vrouwen zijn, die
het implantaat gekregen hebben. De datagegevens van drie klinieken in
Maryland en Texas spreken duidelijke taal: tussen de 51 en 90 procent
van de Norplant-vrouwen hebben een inkomen dat "zeer laag" is of "onder
de armoedegrens" ligt. De meerderheid van hen is zwart of latino.
Bijzonder schrikbarend: het implantaat, dat diep ingrijpt in de
hormonale stofwisseling, wordt in de VS ook aangebracht bij 12 en
13jarige meisjes.&nbsp;&nbsp; </font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>"Inentingen" tegen zwangerschap</i></b><br  />
Een volkomen nieuwe weg in de onderzoeken naar anticonceptie wordt
mogelijk gemaakt door de voortgang in de moderne biowetenschappen -
moleculaire biologie, biochemie en synthetische chemie. Sinds een jaar
of 20, wordt in verschillende werkgroepen onderzoek gedaan, onder
coördinatie van de Wereld Gezondheids Organisatie (WHO), naar
zogenaamde vaccinaties ter regulering van zwangerschap. Wanneer een
dergelijke methode daadwerkelijk op de markt komt, is de kans op
misbruik bijzonder groot. Want, ingezet in algemene
inentingsprogramma's, kan het makkelijk gebeuren dat vrouwen dergelijke
anticonceptiva zonder hun weten en toestemming of per ongeluk
toegediend krijgen.</font></p>


<p><font face="Arial">Het onderzoek naar deze "vaccinaties" tegen
zwangerschap - die niet, zoals de anticonceptie methoden tot nu toe,
mechanisch werken (het spiraaltje) of hormonaal (pillen, prikpillen en
implantaten) - richt zich op het immuumsysteem. Volgens de ideeën van
wetenschappers moeten dergelijke inentingsstoffen het immuumsysteem
stimuleren, stoffen te attakeren die normaliter door het lichaam
aangemaakt en getolereerd worden: bepaalde hormonen of moleculen aan de
oppervlakte van sperma of de bevruchte eicel. Het doel is om òf te
verhinderen dat sperma en eicellen samen komen, òf dat een zwangerschap
in een vroeg stadium door het lichaam zelf beëindigd wordt.
Aanknopingspunten daarvoor worden bij vrouwen en mannen gezocht in de
gezamenlijke hormonale huishouding, beginnend bij de besturing van de
geslachtshormonen in de zwischenhirn, hirnanhangdrüse en de
eierstokken, zaadballen, eicellen, sperma tot de baarmoeder en de
vroege embryo.</font></p>


<p><font face="Arial">Dat zoiets ooit zonder ernstige bijwerkingen
mogelijk zou zijn, betwijfelen zelfs onderzoekers zoals Graham Dukes,
die als farmaceutisch specialist voor de Wereldbank en de WHO werkte.
Dukes noemde de aanzet tot endocrinologische anticonceptiva "onethisch
en gevaarlijk". Desondanks worden een aantal protypen van deze
immunologische voorbehoedmiddelen al sinds het begin van de jaren 70 in
een serie klinische experimenten op mensen beproefd. Wanneer de
vaccinatie-methode markt-rijp zou zijn, zouden de "vaccins"
geïnjecteerd of oraal toegediend kunnen worden en moeten, aldus het
idee van de meeste onderzoekers, één tot twee jaar werkzaam zijn en de
vrouw immuun maken tegen zwangerschap. Is de methode eenmaal
toegediend, dan kan ze niet meer ongedaan gemaakt worden, hetgeen
betekent dat vrouwen (of mannen) moeten wachten tot de vaccinatie is
uitgewerkt. Er wordt weliswaar bij de WHO nagedacht over
tegen-inentingen voor het herstellen van de vruchtbaarheid, maar er is
niets concreets. Het is overigens onduidelijk of elke vrouw sowieso na
een dergelijke "vaccinatie" weer vruchtbaar zal worden. </font></p>


<p><font face="Arial">In feite menen tal van wetenschapp(st)ers dat het
zelfs een voordeel zou zijn, wanneer op deze manier een levenslange
steriliteit op gang gebracht kan worden. Warren Jones, adviseur van het
WHO-research stelde al in 1982 vast, dat zo'n vaccin "in een dergelijke
vorm een sterilisatie middels medicijnen" zou kunnen zijn. En ook bij
de Population Council in Washington zegt men hierover:
"onomkeerbaarheid (is) niet altijd een nadeel" (Richter 1994). John
Aitken, die o.a. met ondersteuning van het farmaceutische concern
Organon onderzoek verricht in deze sector, ziet een "behoefte naar
niet-chirurgische middelen voor sterilisatie van mannen en vrouwen in
de industrie- en ontwikkelingslanden" en concludeert: "een
immunologische aanzet is mogelijkerwijze de meest waarschijnlijke
aanzet om dit doel succesvol te bereiken" (Aitken 1993).</font></p>


<p><font face="Arial">Het meest ontwikkeld is tot nu toe een aanzet
waarbij het innestelen en de ontwikkeling van de bevruchte eicel in de
baarmoeder, moet worden verhinderd. Hiervoor wordt het hormoon hCG
(human Choriongonadotropin) geblokkeerd, dat vanaf de tweede
zwangerschapsweek vrijkomt. Naar schattingen van de critica op
farmaceutisch gebied Judith Richter, waren aan het begin van 1994 zo'n
400 mensen, van wie de meerderheid vrouwen, proefpersonen voor
verschillende soorten immunologische anticonceptiva (Richter 1994). Aan
enkele van de klinische experimenten deden ook mannen mee die aan
kanker leden, omdat vastgesteld was dat bepaalde kankercellen ook hCG
produceren.</font></p>


<p><font face="Arial">In die tijd werd er met twee prototypen van
anti-hCG-vaccins verdere onderzoeken gedaan. Een aantal klinische
experimenten van de WHO, de Population Council en het Indische National
Institute of Immunology (NII) met anti-hCG-vaccins vonden sinds de
jaren 70 reeds plaats in India, Australië, Brazilië, Chili, de
Dominicaanse Republiek, Finland en Zweden. Momenteel lopen een aantal
experimenten van de WHO in Zweden en vermoedelijk ook van het NII in
India. Voor deze Zweedse proeven zijn volgens de informatie van David
Griffin, leider van dit WHO-onderzoek, 120 tot 150 vrouwen nodig, bij
wie de voorbehoedende werking van het anti-hCG-stof beproefd wordt.
Zweden bood zich aan als experiment-land, omdat de regering aldaar de
verzekeringskosten voor de proefpersonen - in het geval van
complicaties - op zich wil nemen. Daarnaast kan aangenomen worden, dat
er in Zweden ook betere controle-mogelijkheden voor de gehele studie
aanwezig zijn, in vergelijking met een land in het Zuiden. Uit ethische
overwegingen, zo verklaart David Griffin, wordt bij deze experimenten,
anders dan bij aanvang de bedoeling was, nog niet het nieuwere
prototype vaccin ingezet. Het oude WHO-vaccin bestaat namelijk uit drie
injecties, die voor de opbouw van de immuunreactie met tussenperiodes
van enkele weken gegeven moeten worden. Met het gebruik van deze
anti-hCG-versie van drie injecties, hebben de vrouwen volgens de
deelnemende onderzoekers nog de gelegenheid uit het experiment te
stappen. Bij de nieuwe vereenvoudigde versie volstaat één spuit om een
immuunwerking op gang te brengen. </font></p>


<p><font face="Arial">Andere wegen in het onderzoek naar immunologische
anticonceptie worden bewandeld door de farmaceutische bedrijven Ortho,
Organon en Schering. Zij baseren hun onderzoek op het uitgangspunt van
de interactie tussen sperma en eicel, dus vóór de bevruchting en de
innesteling.</font></p>


<p><font face="Arial">Vermoedelijk wil men hiermee ethische discussies
over het begin van menselijk leven en potentiële boycotcampagnes van
pro-life organisaties en de daarmee verbonden omzetdalingen, voorkomen.
Tenslotte raakten in het verleden farmaceutische concerns, die geld
verdienden met voorbehoedmiddelen,&nbsp; herhaaldelijk in conflict met
radicale abortus-tegenstand(st)ers. Laatste voorbeeld hiervan is de
abortuspil RU 486 van de Hoechst-dochteronderneming Roussel-Uclaf. Na
heftige debatten over dit middel, werd het patent onlangs overgedragen
aan de Population Council. Zo is het farmaceutische bedrijf voorlopig
verlost van de onaangename discussies in Frankrijk en Duitsland.&nbsp;&nbsp;&nbsp;</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial"><b><i>Overgeleverde anticonceptie-kennis</i></b><br  />
Sinds de Wereldbank in de 80er jaren de "initiatieven voor veilig
moederschap" ten doop gedragen heeft (Wereldbank 1987), worden moderne
anticonceptiva en family-planning in het Zuiden in haast alle bereiken
van officiële ontwikkelingshulp verankerd, van scholing over voedsel
tot gezondheidszorg en kleine kredietverlening. Het is intussen een
vast idee geworden - niet alleen van bevolkingspolitici - dat in
verarmde landen zwangerschappen gevaarlijker zouden zijn dan de
gezondheidsrisico's van de moderne voorbehoedmiddelen. Gangbare
redenatie is: wanneer zwangerschappen worden voorkomen, zal ook de
moedersterfte dalen. Weliswaar wordt zelfs in de Population Reports
toegegeven, dat "achter de directe oorzaken van moedersterfte
(complicaties tijdens de geboorte en gevaarlijke abortusmethoden) de
levensomstandigheden van vrouwen leven, verborgen liggen; d.w.z.
slechte verzorging tijdens de geboorte, chronische ziekten en
ondervoeding, armoede, geïsoleerdheid en ongewenste zwangerschappen".
Ondanks deze bekentenis luidt ook hier opnieuw de oplossing:"Family
Planning Saves Lives" (Population Reports 1994).</font></p>


<p><font face="Arial">Bovendien is het gebruik van middelen en methoden
gericht op voorbehoeding of abortus, in geen geval een moderne
ontwikkeling. Mensen proberen - en dat is niet pas sinds de komst van
de pil - met verschillende middelen invloed uit te oefenen op hun
kindertal. Daartoe behoren sociale maatregelen, zoals huwelijksverboden
of beperkingen t.a.v. de huwbare leeftijd, seksuele taboes en
onthouding. De noodzakelijke kennis van de reproduktieve functies van
het lichaam of de regulering van vruchtbaarheid zelf, die vrouwen en
mannen in het verleden bezaten, varieerde naar regio en religie en
omvatte zowel preventieve als ook abortieve maatregelen; zelfs het
doden van kinderen werd soms gepraktiseerd.</font></p>


<p><font face="Arial">Deze traditionele methoden moeten niet
geïdealiseerd worden, want veel van deze methoden waren en zijn
eveneens rigide en/of schadelijk voor de gezondheid. Desondanks is het
noodzakelijk te benadrukken dat een vrouw zonder de veelgeprezen
moderne voorbehoedmiddelen, niet onvermijdelijk hulpeloos overgeleverd
was en is aan haar biologie, hoezeer de farmaceutische bedrijven en
topmanagers van de bevolkingspolitiek dit ook willen doen geloven.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial"><b><i>Onderzoek naar traditionele versus "effectieve" middelen</i></b><br  />
Hoewel het bekend is dat al in vroege tijden werkzame
vruchtbaarheidsregulerende middelen en methoden verkrijgbaar waren,
wordt daar tegenwoordig nauwelijks onderzoek naar gedaan. Zelfs de WHO
trok een dergelijk project na acht jaar weer in.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Mahmoud Fathalla meldt dat er in 1994
internationaal werd gewerkt aan 94 produkten voor anticonceptie. De
meeste produkten hiervan zijn slechts varianten van reeds bestaande
middelen. Ook wordt sinds enige jaren geëxperimenteerd met hormonale en
immunologische middelen voor mannen, maar veruit de meeste middelen
zijn gericht op vrouwen. Tot de methoden die in de zogenaamde
ontwikkelingsfase of "pipeline" zitten, behoren: 4 IUP, 7 hormonale
implantaten, 5 hormonale injecties, 5 hormonale pillen, 6
immunologische anticonceptiva en 6 sterilisatietechnieken bedoeld voor
vrouwen (Fathalla 1994).</font></p>


<p><font face="Arial"><b>Literatuur:</b><br  />

-&nbsp;&nbsp;&nbsp; Aitken, Contraceptive Vaccines, in: Britisch Medical Bulletin 1/1993, Pag. 88-99.<br  />
-&nbsp;&nbsp;&nbsp; Fathalla, Fertility Control Technology: Women-Centered Approach to
Research, in: Gita Sen, Adrienne Germain, Lincoln Chen, Population
Polocies Reconsidered. Health, Empowerment and Rights, Boston 1994.<br  />-&nbsp;&nbsp;&nbsp;
Kaeser: Contraceptive development: Why the Snail's Pace? in: Family
Planning Perspektives 3/1990, Pag. 131-133.<br  />
-&nbsp;&nbsp;&nbsp; Oddens: Anwendung von verhütungsmitteln in Industrieländern.
Redemanuscript, Internationales Organon-Symposium "Doe reproduktive
Revolution", Wien, 3-5 Juni 1994.<br  />
-&nbsp;&nbsp;&nbsp; Population Reports: Decesions for Norplant
Programs, Series K, Number 4, Implants and Injectibles, November 1992.<br  />
-&nbsp;&nbsp;&nbsp; Population reports: Opportunities for Women Through
Reproductive Choise, Series M, No.12, Special Topics, July 1994.<br  />
-&nbsp;&nbsp;&nbsp; Richter: Beyond Control: About Antifertility "Vaccines", Pregnancy
Epidemics and Abuse, in: Gita Sen, Rachel Snow, Power and decesion. The
Social Control of Reproduction, Harvard University Press, Cambridge
1994.<br  />

-&nbsp;&nbsp;&nbsp; Schering: 100 Jahre Pharmaforschung Schering, Berlin 1990.<br  />
-&nbsp;&nbsp;&nbsp; Sprenger: Wer hilft wem auf dem kontrazeptiven Sector?
Pharma-Industrie und Wissenschaft vor dem Hintergrund von
bevölkerungspolitik, beiträge zur feministischen theorie und praxis,
Heft 14, Köln 1985.<br  />
-&nbsp;&nbsp;&nbsp; Wereldbank: The Safe Motherhood Initiative -
Proposals for Action. World bank discussion papers 9, Washington D.C.
1987.</font></p>



<p><font face="Arial">&nbsp;&nbsp;&nbsp; [1] Noot Helix: Zie voor een uitgebreide analyse van de rol van de vrouwenbeweging hoofdstuk ...<br  />
&nbsp;&nbsp;&nbsp; [2] Noot helix: De structurele-aanpassingsprogramma's (SAP's) zijn
door het IMF en Wereldbank opgelegde programma's, bestaande uit
bezuinigingen op gezondheidszorg, onderwijs, voedselsubsidies etc,
waardoor de economie wellicht aantrekt, maar de concrete
levensomstandigheden van mensen aanzienlijk verslechteren.</font></p> ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">232@http://biopolitiek.nl/pivot/</guid>
			<category>Helix</category>
			<pubDate>Tue, 08 Feb 2005 12:31:00 +0100</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>H3. VS enVN:</title>
			<link>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=233&amp;w=helix</link>
			<comments>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=233&amp;w=helix#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ <h3>De Vrijheid van vruchtbaarheidsbestrijding</h3>
<br  />
<b>Terwijl in het naoorlogse Europa vooral migratie
als uitvloeisel van de Tweede Wereldoorlog werd bediscussieerd, sloeg
de discussie over het "bevolkingsvraagstuk" in de VS een heel andere
weg in. Niet alleen&nbsp; de "overbevolking" van afzonderlijke landen, maar
vooral die van de gehele aardbol was onderwerp van publikaties en
dringende waarschuwingen. De Tweede Wereldoorlog, aldus de gangbare
opinie, was al het gevolg geweest van een groeiende onevenwichtigheid
tussen de omvang van de bevolking enerzijds en de hoeveelheid
beschikbare voedingsmiddelen anderzijds. En nog steeds zou de
demografische groei de wereldvrede bedreigen - en daarmee de nationale
veiligheid van het land.</b></p><p><font face="Arial">Toch waren de wetenschappelijke disciplines
Eugenetica en Rassenleer, en in zekere mate ook de aanspraak van de
staat op bevolkingsregulering, algemeen in diskrediet geraakt als
gevolg van de nazi-misdaden. Ook in de VS moest dit wel gevolgen hebben
voor de bevolkingswetenschap - de meeste vertegenwoordigsters en
vertegenwoordigers van dit vak, alsmede het grootste deel van de
vakspecifieke organisaties, waren immers voortgekomen uit de
eugeneticabeweging of daaraan gelieerd geweest: nagenoeg alle
bevolkingswetenschappers en -activisten van naam waren ook leden, of
zelfs leidende functionarissen, van de American Eugenic Society (1).
Toch hadden velen van hen de rassenleer en de daarbij behorende
racistische politiek in het nationaal-socialistische Duitsland
verworpen. Genetische "kwaliteit", zo luidde hun argument, is niet
gebonden aan het toebehoren tot een ras. De indeling van de mensheid in
rassen stelden zij niet ter discussie. Het onderscheid maken tussen een
zogenaamd wetenschappelijk gefundeerde "goede" eugenetica en een
onwetenschappelijke, "irrationele" rassenleer moest het in de daarop
volgende tijd mogelijk maken de eugeneticabeweging te hervormen. Een
deel van hun gedachtengoed kon zo weer in het bevolkingspolitieke debat
- en de praktijk - ingebracht worden (2). Toch leek het de
pleitbezorgersters van kwalitatieve bevolkingspolitiek raadzaam, het
begrip "eugenetica" zo veel als mogelijk te vermijden, om hun
doelstellingen te realiseren (3).</font></p>


<p><font face="Arial">In het debat nam de angst dat Russen, Aziaten en
vooral Chinezen zich te sterk zouden kunnen voortplanten een grote
plaats in. De oude vrees voor paupers en de stelling dat de lagere
maatschappelijke klassen sterker in aantal zouden toenemen dan de
hogere klassen werd in zekere zin op de "Derde Wereld" overgedragen. En
de idee van niet-gelijkwaardigheid van mensen werd op haar andere
manier van reproduktie geprojecteerd. Daarnaast&nbsp; bepaalden zowel
eugenetische als ecologische overwegingen de discussie, die in eerste
instantie nog in relatief kleine kring, maar zeker niet alleen in de
ivoren toren van de wetenschap, gevoerd werd. Van bijzonder belang
hierbij zijn de jaren '50 en '60, omdat in deze periode
bevolkingspolitiek tot een zaak van belang voor&nbsp; zowel de buitenlandse
politiek van de VS, als uiteindelijk ook voor de politiek van de
Verenigde Naties geworden is. </font></p>


<p><font face="Arial">Hieraan parallel verliep een andere ontwikkeling:
met de uitvinding van de pil en het spiraaltje meende men een voor alle
vrouwen bruikbaar voorbehoedmiddel gevonden te hebben, dat eenvoudig
toepasbaar, betrouwbaar, goedkoop en wereldwijd inzetbaar zou zijn. De
"rationalisering van de voortplanting", een lang gekoesterde droom van
bevolkingsplanologen, scheen nu eindelijk binnen handbereik. Vanaf de
50er jaren werden in relatief korte tijd grote delen van de aarde met
familieplanningsprogramma's overdekt.</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Het Population Reference Bureau</i></b><br  />
In september 1945 verscheen de eerste uitgave van het Population
Bulletin. Het blaadje werd uitgegeven door het Population Reference
Bureau, de oudste bevolkingspolitieke lobby-club in de VS, die al in
1929 met medewerking van de internationaal bekende eugeneticus en
fruitvliegjesonderzoeker Raymond Pearl was opgericht (4). Redacteur en
enige auteur van het maandelijks verschijnende Bulletin was Guy Irving
Burch, die in 1945 samen met Elmer Pendell het boek
'Population Roads to Peace or War' gepubliceerd had. Daarin hadden de
auteurs nadrukkelijk voor een wereldbevolkingsprgramma gepleit. Het
gevaar, dat de VS in een toekomstige wereldregering overstemd zouden
worden door landen als India of China (5) is voor hen het argument om
te eisen dat de mondiale bevolkingsgroei gereduceerd wordt. In
voorgaande jaren had Burch zich ingespannen voor&nbsp; beperking van
immigratie (6).</font></p>


<p><font face="Arial">Burchs werk als&nbsp; redacteur van het Population
Bulletin bestond er vooral uit wetenschappelijke literatuur over het
thema bevolkingom te zetten in spreektaal en te voorzien van
begrijpelijke titels alsmede waarschuwingen aangaande toekomstige
ontwikkelingen. In de jaren daarop werd het Bulletin een belangrijke
inspiratiebron voor krantencolumns over de hele wereld. Zaken als
"bevolkingskwaliteit"* en bevolkingskwantiteit kwamen aan de orde. De
bevolkingsdruk, zo waarschuwde Burch in vrijwel elke uitgave, zou de
wereldvrede bedreigen. Een wereldbevolkingsprogrammawaaraan vrijwel
geen enkele staat zich zou kunnen onttrekken, zou het snelst uitkomst
bieden, daar de vraag naar vrede en bevolkingstoezicht zo enorm groot
zou zijn. Zo'n beetje de hele westerse wereld zou haar bevolkingsgroei
al onder controle hebben gebracht, zo schreef hij in het voorjaar van
1946, dus zijn Duitsland, Japan en Italië nu wel gedwongen om ook mee
te gaan doen. En ook het Chinese bestuur zou een dergelijk programma
ongetwijfeld toejuichen. De opsomming van overbevolktelanden varieerde;
India, China en Puerto Rico zaten er bijna altijd bij, maar ook
Westeuropese staten. Van de Sovjetunie ging - volgens de al spoedig
door de Koude Oorlog gevormde optiek van het Population Bulletin - een
tweeledig gevaar uit: Enerzijds zou de extreem snelle
bevolkingsgroeidaar de vrede in de wereld bedreigen (7). Anderzijds zou
de macht van de Sovjetunie zich snel kunnen uitbreiden, omdat de
bevolkingsgroei in grote delen van de wereld verarming tot gevolg zou
hebben, die&nbsp; verspreiding van het communisme in de hand zou werken (8).
Vermindering van de bevolkingsgroei werd als een van de belangrijkste
maatregelen gezien in de strijd tegen het communisme en als redding van
de democratie. Eind 1950 schetste Burch in het Population Bulletin een
doemscenario: Wij staan voor de keus: Ofwel we beheersen de
geboortencijfers, of we maken een bevolkingsexplosie mee (...). We
krijgen nu met deze problemen te maken, niet pas over 10 of 100 jaar.
Het communisme zal niet op ons wachten en de snelheid waarmee armoede
en sociale onrust, die het communisme voeden en van dag tot dag sterker
maken, ook niet, (9).</font></p>


<p><font face="Arial">Vanaf 1948 verschenen in het Population Bulletin
steeds maar weer artikelen over de voortschrijdende vernietiging van
het milieu, over bodemerosie en het uitsterven van diersoorten. Aanzet
daartoe had onder andere het boek Our plundered Planetvan Fairfield
Osborn gegeven (10). Maar waar Osborn de veronderstelde
bevolkingsdrukslechts als een van de factoren van de verstoorde relatie
tussen mens en natuur zag, vormde deze bij William Vogt juist het
centrale thema. De ecoloog en vogelonderzoeker was van 1943 to 1949
nationaal directeur van de Planned Parenthood Federation of America
geweest en hij stapte begin jaren 50 over naar het Population Reference
Bureau. Onder de titel De aarde neemt wraakontwierp hij ecologische
rampenscenarios die hij mixte met politieke uiteenzettingen over de
toenmalige toestand in de wereld. De aarde, dat stond voor Vogt vast,
was niet groot genoeg om alle mensen te voeden, en al helemaal niet
meer aan het eind van de eeuw, wanneer de wereldbevolking, zo nam men
destijds aan, tot 3,3 miljard mensen aangegroeid zou zijn. Vogt stelde
daarom voor een sterilisatie-premie uit te keren aan "iedereen, maar in
het bijzonder aan mannen. Deze zou vooral de mislukkelingen van deze
wereld aanlokken en daardoor een gunstige selectieve invloed
hebben(11). Hoewel in zijn boek konstant gehamerd wordt op mondiale
verantwoordelijkheid en er wereldwijde samenwerking tot redding van de
planeet wordt gevraagd, wakkert Vogt bij het publiek toch vooral
nationalistische ressentimenten aan, daarbij gebruik makend van
bevolkingspolitieke argumenten. De VS - volgens de criteria van de
ecoloog toch al een overbevolktland - zouden door andere landen onder
"bevolkingsdruk" worden gezet, worden gechanteerd en in&nbsp; ontwikkeling
worden afgeremd. In het bijzonder door de landen die financiële
ondersteuning van het Marshall-plan en voedselhulp ontvingen.
Griekenland, zo stelde Vogt, werd op kosten van de Amerikaanse
belastingbetaler geïndustrialiseerd en had zijn hand duchtig in de
vleespotten van Amerika vastgezet. Denemarken zou een parasiet van de
nieuwe wereldzijn; en Italië zou dreigen zich naar vadertje Stalinte
wenden om geld van de VS af te persen. Japan zou door Amerikas
barmhartigheid onderhouden(12) worden: voedsel, geld en medicijnen uit
de VS zouden overal ter wereld sterfte verminderen en daarmee het
gevaar van overbevolkingvergroten. Een Europa met 450 miljoen mensen in
het jaar 1975 is veel gevaarlijker dan het Europa van 1935 met 370
miljoen mensen. En dit Europa zal nog meer goede akkers van andere
volkeren uitzuigen. Niet haar eigen akkers, dat mogen we niet vergeten,
want Europa heeft er geen(13). De VS, aldus Vogt, had geen andere keus
dan zich aan deze chantage te onderwerpen, daar anders een atoom- en
bacteriologische oorlogdreigde. Dientengevolge moesten de Verenigde
Staten Japan voortaan onder strenge bewakinghouden en van andere staten
een doelmatige bevolkingspolitiekin ruil voor bijstandsverlening eisen
- van China en India evengoed als van Europa: Bevriezing en als het
maar enigszins mogelijk is vermindering van de bevolkingsgroei in
Europa - dat zou een grote - ja, de grootste stap naar vrede en
welvaart in de wereld zijn. (...) Elke hulp die wij geven zou
afhankelijk gemaakt moeten worden van een nationaal programma dat tot
stabilisering van het aantal mensen leidt - en wel op vrijwillige
basis."We zouden&nbsp; moeten staan op het recht op anti-conceptie zoals we
staan op het recht op persvrijheid"(14). De blik waarmee Vogt in 1950
naar Europa kijkt, heeft veel weg van de manier waarop heden ten dage
over de Derde Wereldgeschreven wordt. De boeken van Vogt en Fairfield
Osborn gelden als wegbereiders van het debat over
bevolkingsvraagstukken.</font></p>


<p><font face="Arial">Het propagandawerk van het Population Reference
Bureau bleef niet zonder invloed. Sinds het begin van de jaren 50 zou
het opvoedingsprogramma van de organisatie, zo heet het in een intern
rapport, tot een revolutionaire veranderingvan de publieke opinie
betreffende het wereldbevolkingsvraagstukhebben bijgedragen (15). Rond
1950 had bovendien een fundamentele wijziging binnen de demografie
plaatsgevonden. Tot die tijd gold de vraag hoeveel kinderen mensen
hebben, als een produkt van culturele en&nbsp; economische omstandigheden.
Laat men Nazi-Duitsland buiten beschouwing, dan zouden
bevolkingspolitici niet op het idee zijn gekomen dat men
geboortencijfers kan veranderen, nog voordat er zich veranderingen voor
hebben gedaan in de culturele en economische situatie. Nu begonnen
demografen echter te betogen, dat de wereld niet op de sociale en
economische veranderingen zou kunnen wachten (16). In 1957 werd Vogt
tenslotte ook als deskundige voor het Nationale Hulp Comité van de
VS-senaat aangehoord; hij sprak daar over de noodzaak een geschikt
oraal voorbehoedmiddel uit te vinden om in te zetten in de
onderontwikkelde landen(17).</font></p>


<p><font face="Arial">De jaren na 1953aldus de Britse Demograph Eversly
over het klimaat binnen het bevolkingsdebat in de vroege jaren 50,
worden gekenmerkt door een ongelijkmatig optredende, zeer grote
stijging van een hysterische houding ten aanzien van de groei van de
wereldbevolking. Dit tijdsbestek betekent in de geschiedenis van de
bevolkingsprojecties een tamelijk roemloos hoofdstuk. (...) Er waren
zoölogen die hun overwegingen op vooronderstellingen baseerden, die op
de leefgewoontes van de drosophila berustten; deze werden op het
menselijk ras toegepast. (...) Op alarmerende wijze begonnen niet
alleen individuele personen maar gehele organisaties liquide middelen
aan te trekken en privé-imperiums te vormen; regeringen en instituties
moesten uit angst voor toekomstige ontwikkelingen tot controle van de
bevolkingsgroei gebracht worden (hoewel de efficintie van dergelijke
maatregelen geheel en al onbewezen is).(18)</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Vindingrijke geesten</i></b><br  />
Bovengenoemde ontwikkeling zou ondenkbaar zijn geweest zonder de
uitgekiende aanpak van een - aanvankelijk kleine, maar invloedrijke en
zeer daadkrachtige - lobby, waar industriëlen als John D. Rockefeller
en Hugh Moore, wetenschappers en generaals deel van uitmaakten.
Karakteristiek voor deze overwegend uit mannen uit de witte midden- en
hogere klasse bestaande pressiegroep, was hun geloof in de maakbaarheid
van de samenleving en hun onverstoorbare zelfvertrouwen. De
bevolkingspolitieke activisten zagen zichzelf en hunsgelijken als
innovative spiritsen free ranging minds. Ze prezen hun eigen
spitsvondigheid (19) en waren als gewoonlijk overtuigd van hun
zegenrijke werk(20). Zij beschikten over uitstekende relaties met
geëngageerde stichtingen als de Milbank Memorium Fund, de Alain
Guttmacher Foundation, de Pathfinder Fund, de Rockefeller- en Ford
Foundation. En zo waren de financiële grenzen aan hun dadendrang al
opgerekt lang voor de regering toereikende budgetten ging toekennen.</font></p>


<p><font face="Arial">Peter Donaldson, die de successtory van deze
pressiegroep in een boek met de titel Nature against usheeft
geschilderd, beschrijft de jaren 60 als een periode van rationele
omnipotentie, op grond waarvan vrijwel alle problemen, waaronder ook
geboortenregeling onder de arme plattelandsbevolking in de Derde
Wereld, exclusief als technisch dan wel administratief probleemwerd
gezien. De blunders bij het verlagen van de geboortencijfers schijnt de
hoge eigendunk van de initiatiefnemers net zo min te hebben geschaad
als de verwoestende gevolgen van gedwongen sterilisaties in het kader
van family-plannings campagnes. Hun inzet en technocratische
gewetenloosheid bevorderde deze eigenwaan zelfs, want zij meenden dat
geboortencontrole in de Derde Wereld de westerse beschaving en het
levenspeil in de industrielanden zou behoeden voor chaos en oorlog. Tot
op de dag van vandaag zien de medewerkers van de afdeling Bevolking van
de rijksontwikkelingsorganisatie US-AID zichzelf als een buitengewone
groep mensenen hun buitenlandse hulp als het meest revolutionaire dat
de Verenigde Staten ooit hebben gedaan- als antwoord op de ultieme
uitdaging voor mensen in industrielanden, omdat wij een in grootte
afnemend deel van de menselijke soort zijn(21).</font></p>


<p><font face="Arial">Eén van de belangrijkste agitators - en niet op
de laatste plaats ook financiers - was John D. Rockefeller de 3e. Net
als veel andere mannen die uiteindelijk gedreven strijders tegen
overbevolkingwerden, had ook Rockefeller zijn belangstelling voor dit
thema opgedaan tijdens zijn reizen door Azië, die hem eind jaren 40 en
begin jaren 50 vooral vaak naar Japan hadden gebracht. Zijn vader had
zich reeds voor bevolkingspolitieke vraagstukken geïnteresseerd en
ervoor gezorgd dat een aanzienlijk deel van het geld uit de familie-
stichting naar de instituten van de eugenetica-beweging stroomde. Zijn
zoon nu maakte met name de strijd tegen overbevolkingtot zijn taak.
Naar zijn mening draaide het daarbij niet alleen om de beïnvloeding van
de geboortencijfers zelf, maar ging het erom het aantal mensen, haar
consumptie- en leefgewoonten en de materiële hulpbronnen van de aarde
zo breed mogelijk te ontwerpen, op elkaar af te stemmen en in
evenwichtte brengen. Al in de 40-er jaren behoorde de term ecologie van
de menstot de gangbare begrippen in de Rockefeller Foundation. De
stichting ondersteunde onderzoeken naar het uitsterven van plant- en
diersoorten, woestijnvorming en watergebrek evenals het
wetenschappelijke voorwerk voor de anticonceptiepil.</font></p>


<p><font face="Arial">In 1952 behoorde Rockefeller tot een van de
medeoprichters van de Population Council, die het primair als haar taak
zag het 'bevolkingsprobleem' wetenschappelijk te bestuderen. Het
bestuur werd door mannen van het hoogste kaliberbezet: Naast
Rockefeller zelf namen ook zitting Frederick Osborn, beursmakelaar en
president van de American Eugenic Society. En verder de econoom en
statisticus Frank Notestein, die wegens zijn verdiensten voor de nieuwe
wetenschap vroedvrouw van de demografiegenoemd werd. Notestein wordt
beschouwd als de uitvinder van het model van demografische overgang,
dat - hoewel omstreden - tot op heden een rol speelt in de
vakliteratuur (22)* (*Volgens dit model is de bevolkingsgroei in Europa
aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw erop terug te
voeren, dat op basis van medische vooruitgang en stijgende welvaart in
eerste instantie de sterftecijfers zouden zijn gezakt, terwijl de
geboortencijfers pas na een bepaalde tijd daalden). Hij leidde sinds
1936 de gerenommeerde afdeling voor bevolkingsonderzoek aan de
Princeton University, het eerste grote demografische
onderzoeksinstituut in de VS** (**Het Office for Population Research
was in 1936 opgestart met geld van de Rockefeller en de Carnegie
Foundation en in de begintijd door het Milbank Memorial Fund
gefinancierd; net als de meeste bevolkingswetenschappelijke
instellingen uit die tijd was het beïnvloed door de
eugenetica-beweging). Hij behoorde in de vroege jaren 40 tot de
bewonderaars van het experiment Sovjetunie(23) en was in 1946 benoemd
tot chef van de nieuw gestichte bevolkingsafdeling (Population
Division) van het VN-secretariaat. Vanaf voorjaar 1954 fungeerde Dudley
Kirk, voormalig Intelligence Research Officer in het State Department
en lid van de VS-delegatie in de bevolkingscommissie (Population
Commission) van de Verenigde Naties, als demografisch directeur van de
Population Council. Kirks loopbaan is een typisch voorbeeld van het
binnen de instituten van bevolkingscontrole-lobby gebruikelijke
draaideursysteemvoor personeel: Drijvende krachten en experts roteren
voortdurend tussen stichtingen, wetenschappelijke instellingen en
overheids- of VN-instituten - van de Population Council naar het
VN-comité en van daaruit naar de universiteit; van US-AID via de Ford
Foundation naar het Population Crisis Committee enzovoorts.</font></p>


<p><font face="Arial">Het zwaartepunt van de activiteiten van de
Population Council lag&nbsp; vooral op wetenschappelijk terrein en minder op
het gebied van&nbsp; bevolkingspolitiek. Men zette zich in voor erkenning en
voor een goede wetenschappelijke reputatie. De Council verleende
onderzoeksopdrachten voor de meest uiteenlopende takken van
bevolkingswetenschap: van onderzoek naar voorbehoedmiddelen tot de
bestudering van migratie, van populatie-genetica tot demografie. De
gelden hiervoor waren hoofdzakelijk afkomstig uit de verschillende
Rockefeller Fondsen en uit de winsten van grote ondernemingen zoals
Standard Oil en General Motors. Maar ook de Ford Foundation, die tot
dan toe vooral liefdadigheidsinstellingen had gesponsord en het
bevolkingsprobleemnog maar pas ontdekt had, droeg financieel bij aan de
projecten van de Population Council - in ieder geval daar waar het ging
om demografisch onderzoek. Op andere fronten, zoals bijvoorbeeld het
voorbehoedmiddelenonderzoek, stelde de stichting zich vooralsnog
terughoudend op, omdat men bang was voor kritiek van zowel de pers
alsook van de tot het katholicisme bekeerde grondlegger Henry Ford.</font></p>


<p><font face="Arial">Niet alleen in de direkte omgeving van
Rockefeller, maar ook ver daarbuiten was in de 50er jaren de
wetenschappelijke onderbouwing van de overbevolkingsideologie het
belangrijkste streven van al diegenen, die geloofden het population
problemvroegtijdig herkend te hebben. Wetenschappers die de noodzaak
hiervan nog niet hadden ingezien, werden uitgenodigd op
interdisciplinaire congressen, of zij werden door Rockefeller dan wel
door Osborn gevraagd zich aan te sluiten bij de Population Council.
Stimulering van onderzoek; het opleiden van nieuwe academische krachten
in de relevante wetenschappelijke disciplines - met name in de landen
van de Derde Wereld- en de opbouw van centra voor demografie in deze
landen, diende ertoe voorhoedes te vormen die als baanbrekers van het
westerse vooruitgangsmodel moesten fungeren. Zo forceerde de Ford
Foundation in samenwerking met Notestein en de Population Council in
Pakistan de ontwikkeling van het demografisch onderzoek. Er werden
bevolkingsadviseurs opgeleid en ook drie onderzoekscentra ingericht, en
wel in Karachi, Lahore en Dhaka. Onderzoek en opleiding, zo benadrukte
Notestein al eind jaren 40, zouden de basis vormen om
bevolkingsproblemen te kunnen definiëren en beoordelen. Westerse
deskundigen zouden immers, in tegenstelling tot de plaatselijke,
nauwelijks in staat zijn de publieke opinie in de Derde Wereldte
beïnvloeden (24).</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Een van de voornaamste studiegebieden voor
bevolkingswetenschap was India, het experimenteerveld voor de
geboortenregeling(25). Daar waren namelijk al sinds het eind van de 19e
eeuw - veel eerder dan in andere landen in het zuiden - precies elke
tien jaar volkstellingen gehouden, die tezamen met andere statistische
registraties een goede databasis opleverde. De Family Planning
Association of India organiseerde met steun van Margaret Sanger in 1952
in Bombay een Wereldconferentie voor gepland ouderschap, waaraan naast
talrijke deskundigen ook John D. Rockefeller de 3e, Hugh Moore en
vertegenwoordigersters van 14 nationale Family-Planning-organisaties&nbsp;
deelnamen.</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Bevolkingswerk: van particulier initiatief tot staatsaangelegenheid.</i></b><br  />
De industrieel Hugh Moore, die door de uitvinding van verschillende
modellen kartonnen bekertjes rijk was geworden, probeerde het
overbevolkingsvraagstukuit de academische sfeer van de Population
Council te halen en onder de mensen te brengen. Daartoe schuwde hij
kosten noch schandaal. In 1944 had hij een naar zichzelf genoemd fonds
in het leven geroepen, dat de strijd tegen de grootste bedreiging, de
overbevolking, moest versterken ten bate van de wereldvrede. Tien jaar
later schreef Moore een pamflet met de titel The Population Bomb, dat
hij in de daarop volgende jaren geregeld liet herdrukken. In
verscheidene professioneel aangepakte mediacampagnes, zoals de in maart
1960 gestarte World Emergency Campaign, hamerde Moore erop, dat de
VS-regering wereldwijd tegen bevolkingsgroei moest optreden. Een van
zijn belangrijkste argumenten was de angst voor uitbreiding van het
communisme in onderontwikkeldelanden.</font></p>


<p><font face="Arial">Een hechte vriend van Moore was generaal van de
Investeringsbank William Draper Jr., voorzitter van een door president
Dwight D. Eisenhower gemachtigde commissie, die in 1958 aanbevelingen
moest opstellen voor een heroriëntering van de militaire en economische
VS-steun in het buitenland, met name in de ontwikkelingslanden. Moore
en Draper zorgden ervoor dat het comité bestrijding van
overbevolkingvoorstelde als hoofdtaak van de buitenlandse politiek van
de VS (26)*. (*Draper gaf Robert Cook, de toenmalige president van het
Population Reference Bureau, opdracht om medewerkers van de commissie
te voorzien van materiaal over de bevolkingsexplosie. In de jaren 1947,
1948 en 1959 had Draper Japan bezocht en hij was geïmponeerd: De
drastische daling van het geboortencijfer binnen enkele jaren met
behulp van de legalisering van abortus&nbsp; en intensieve Family-planning
programmas, gold ook voor hem als basis voor het Japanse
Wirtschaftswunder.) Om een botsing met de katholieke kerk te vermijden,
weigerde Eisenhower echter de adviezen op te volgen (27).</font></p>


<p><font face="Arial">Ook John F. Kennedy moest in eerste instantie met
soortgelijke overwegingen rekening houden, des te meer omdat hij zich
in de verkiezingsstrijd als favoriete kandidaat voor de katholieke kerk
had gepresenteerd. Toch begon juist tijdens zijn ambtsperiode de
bevolkingspolitieke interventie van de VS in de Derde Wereld, die onder
zijn opvolger Lyndon B. Johnson ook officieel deel ging uitmaken van de
buitenlandse politiek van de VS. Gelijk bij aanvang van zijn
ambtsperiode had Kennedy het foreign assistance programvan de VS
hervormd en in 1961 de International Cooperation Administration
omgebogen tot Agency for International Development (AID). In datzelfde
jaar werd ook de Alliantie voor de Vooruitgangopgestart, een
ontwikkelingspolitiek programma met als doel in Latijns-Amerika de
invloedssfeer van de VS te waarborgen door middel van
guerrillabestrijding, Counterinsurgency en ontwikkeling. </font></p>


<p><font face="Arial">Binnen het regeringsapparaat lukte het de
voorlopige minderheidsfractie die de geboortencontrole in de Derde
Wereldtot zaak van de buitenlandse politiek wilde maken, stap voor stap
hun standpunt tot officiële regeringslijn te maken door behendig om te
springen met procedures en hiërarchieën binnen de overheidsorganen.
Allereest werd er alles aan gedaan om vooral invloedrijke politici
ertoe te bewegen in het openbaar bevolkingsgroei als een belangrijk
probleem met verstrekkende gevolgen voor de economische ontwikkeling en
de wereldvrede voor te stellen. Verder zouden alle gezaghebbende
personen en instanties zich er eenstemmig over moeten uitspreken, dat
bestudering van de menselijke vruchtbaarheid en ontwikkeling van
voorbehoedsmiddelen juist en noodzakelijk is (en dus dienovereenkomstig
ondersteund zou moeten worden). VS-instellingen zouden hoe dan ook op
aanvraag uit landen in de Derde Wereldvoorlichting en technische
ondersteuning moeten geven bij het onderzoeken - en zo mogelijk ook
oplossen - van hun bevolkingsproblemen. Deze vraag kon natuurlijk ook
een handje geholpen worden, bijvoorbeeld door bevolkingsdeskundigen
naar die landen te sturen wier regeringen haar behoefteaan
geboortenregelingsprogrammas nog niet hadden onderkend.</font></p>


<p><font face="Arial">In januari 1964 werd aan de Alliantie voor de
Vooruitgang een Population Office verbonden, de eerste in dit genre, en
in hetzelfde jaar stroomde het eerste geld voor bevolkingswerkvan de
AID naar Latijns-Amerika binnen. In het daaropvolgende jaar werden in
alle AID-centra speciale bevolkingsadviseurs aangesteld. Bovendien
vonden in het Capitool de eerste hearings over de
wereldbevolkingsexplosieplaats. Vanaf dat moment gaf het Amerikaanse
congres niet alleen regelmatig zijn goedkeuring aan een verhoging van
het familyplanningsbudget van US-AID - dat zo binnen vijf jaar steeg
van 2,3 tot 75 miljoen dollar - maar ook bevorderde zij zelf meer en
meer de inmenging op het gebied van bevolkingspolitiek van de VS ten
aanzien van andere landen. </font></p>


<p><font face="Arial">De verhoging van het AID-budget ging gepaard met
organisatorische en personele veranderingen binnen het instituut. Omdat
het vermogen van het agentschap voor de distributie van de enorme
geldbedragen niet meer toereikend was, werden particuliere
ontwikkelingshulporganisaties ingeschakeld als intermediair en nam de
AID alleen nog de planning en cordinatie op zich (28). In 1966 werd
Reimert T. Ravenholt benoemd tot hoofd van het AID-Population Office.
Hij klom binnen enkele jaren op tot een van de meest invloedrijke
bureaucraten in Washington. Tot op de dag van vandaag vertellen zijn
toenmalige medewerkers vol enthousiasme over zijn dynamische stijl. Hij
zou goed opgeleide mensen met initiatief en een heldere kijk op de
problemen in het Population Office hebben binnengehaald waarmee hij
deze een innovative spiritzou hebben verleend die nu nog voelbaar was.
(29).</font></p>


<p><font face="Arial">In 1966 werd met behulp van de Foreign Assistance
Act en de Food for Peace Act de buitenlandse hulp van de VS opnieuw
hervormd waarbij voedselhulp en kredietverlening gekoppeld werden aan
de voorwaarde dat de regeringen van de ontvangende landen
vrijwilligFamily Planning programmas tot stand zouden brengen. De
maatregelen tegen bevolkingsgroei in de niet-geïndustrialiseerde landen
werden als onderdeel van de campagne Oorlog tegen de hongerdoorgedrukt:
Het demografische decreet was geboren(30). Tot de sleutelfiguren in het
Congres behoorden de senatoren Ernest Gruening, George Bush en Joseph
Clark, die werden gesteund door president Johnson en later ook door
Richard Nixon. In hoorzittingen in het Congres adviseerden deskundigen
verspreiding van voorbehoedmiddelen zowel op nationale als op
internationale gronden. Zij staafden hun aanbevelingen door te stellen
dat langs deze weg de familiale gezondheid en sociale zorg
vooruitgeholpen, abortussen voorkomen, het milieu beschermd en armoede
en ondervoeding verzacht zouden kunnen worden. In de laatste maanden
van 1969 nam het Congres een wet aan (31) die aan moest zetten tot
uitbreiding van gezinsplanningsbureaus in de VS . De Population Council
en de organisatie voor geboortenregeling Planned Parenthood hadden zich
er al jaren voor ingespannen bevolkingscontrole ook in de VS in te
zetten als wapen in de strijd tegen armoede bij uitstek, want: de
excessieve vruchtbaarheid van economisch zwakke families valt als een
van de voornaamste factoren te beschouwen, die tot het voortbestaan van
slums, gebrekkige scholing en zelfs criminaliteit leiden(32). De nieuwe
wet werd onder meer toegejuicht juist door diegenen, die speciaal voor
arme vrouwen het recht op toegang tot de geboortenregelingsdiensten
opeisten. Toch stuitte de invoering van door de overheid op poten
gezette gezinsplanningsbureaus in overwegend door zwarten en
Latijnsamerikaanse immigrantes/n bewoonde arme stadswijken ook op felle
kritiek, omdat velen van deze&nbsp; doelgroep er geen belang bij hadden door
de witte middenklasse geholpente worden bij de beheersing van hun
vruchtbaarheid. Doordat&nbsp; bevolkingspolitieke maatregelen voorrang
kregen boven verbetering van de sociale en hygiënische situatie,
ontstond de verdenking dat het doel van dit beleid niet afschaffing van
armoede was, maar&nbsp; terugdringing van het aantal armen.
Armoedebestrijding met bevolkingspolitieke middelen is, aldus het
verwijt van activistes/n uit de zwarte burgerrechtenbeweging, in
werkelijkheid een poging tot genocide (33). In Cleveland werd in 1968
een (brand)aanslag op een kliniek voor geboortenregeling
gerechtvaardigd met de beschuldiging van genocide op Afro-Amerikanen
(34).</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">In 1969 gaf president Nixon de Commissie
voor bevolkingsgroei en de Amerikaanse toekomstopdracht een
bevolkingspolitiek programma voor de VS uit te werken, welke rekening
moest houden met de&nbsp; "overheersende invloed van de bevolkingsgroei op
alle facetten van het Amerikaanse leven". Voorzitter van de commissie
was John D. Rockefeller. Het rapport dat de commissie drie jaar later
presenteerde, bleef echter zonder gevolgen: Nixon was bang voor
openlijke aanvallen daar het rapport aanbevelingen bevatte voor
legalisering van abortus en een vrije toegang tot voorbehoedsmiddelen
voor tieners bepleitte(35).</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Voorbij Family-Planning</i></b><br  />
Al sinds de jaren 40 hadden Rockefeller, Notestein en anderen een
effectieve en eenvoudig toepasbare methode voor geboortencontrole
beschouwd als absolute voorwaarde voor een doorbraakin het
bevolkingsvraagstuk. Met de uitvinding van nieuwe, voor een breed
publiek toegankelijke voorbehoedmiddelen leek dit nu te zijn bereikt.
Sinds midden jaren 60 werden, met daadkrachtige ondersteuning van
US-AID en andere organisaties, spiraaltjes en anticonceptiepillen
massaal verdeeld in India en Pakistan. Alleen al in 1966 werden bij
ongeveer één miljoen Indiase vrouwen spiraaltjes ingebracht en legde
men voor het daarop volgende jaar een streefcijfer vast van vier
miljoen.&nbsp; In 1967 werden in het kader van een proefproject van US-AID
in elke Indiase deelstaat 5000 tot 10.000 maandverpakkingen van de
anticonceptiepil verdeeld. Toch stopte 75 procent van de vrouwen met de
proef, vermoedelijk omdat de werkzame stof in de pillen veel te hoog
gedoseerd was. In Pakistan stelde president Ayub Khan in 1965, na
persoonlijke bemoeienis van Rockefeller en Notestein een nationale
campagne in werking, om de meerderheid van de Pakistaanse bevolking
binnen twee jaar aan te zetten tot gezinsplanning middels sterilisaties
en spiraaltjes. De maatregelen stuitten echter al snel op een brede
openbare afwijzing die soms ook tot praktisch verzet leidde: In een
studie die in opdracht van US-AID werd opgesteld, wordt vermeld dat in
de late jaren 60 in Pakistan gezinsplanningsbureaus werden bestormd, en
klinieken in brand gezet. Het spiraaltje kreeg een slechte naam en
bleef tot in de jaren 80 onpopulair (36).</font></p>


<p><font face="Arial">Ondanks, of juist vanwege dergelijke fiascos,
werd ieder nieuw voorbehoedmiddel euforisch als patent middel ter
oplossing van het bevolkingsprobleembegroet. De telkens weer nieuwe
preparaten werden resoluut aan de vrouw gebracht, bijwerkingen werden
gebagatelliseerd, begeleidend onderzoek veronachtzaamd. Iedere nieuwe
maatregel, aldus een waarnemer, zou met enthousiasme zijn bedacht en
vervolgens zijn opgegeven. Ondanks enorme investeringen had de
gezinsplanning onder de&nbsp; bevolking van India geen succes (37). Noch
mediacampagnes (38), noch uitbetaling van premies of door de regering
bepaalde streefcijfers lieten het geboortencijfer in gewenste mate
dalen. De campagnes voor massasterilisatie van Indiase mannen schoten
hun doel al evenzeer voorbij. In 1970 werd in de Indiase deelstaat
Kerala het eerste Sterilisatiekamp ingericht. In juni 1975 riep Indira
Gandhi de noodtoestand uit. In de daaropvolgende twee jaar vonden in
het hele land gedwongen sterilisaties plaats. Honderden, zo niet
duizenden stierven aan infecties tengevolge van&nbsp; operaties of bij
opstanden en protesten tegen het programma(39). Deze opstanden brachten
uiteindelijk de regering van Indira Gandhi ten val; ze leed in 1977 een
dramatische verkiezingsnederlaag.&nbsp;&nbsp;&nbsp; </font></p>


<p><font face="Arial">In tegenstelling tot de eensgezindheid in
prinicipiele kwesties aangaande bevolkingspolitiek, liepen de
spanningen tussen de buitenlandse organisaties en de Indiase regering
op. Reden daarvoor was het wantrouwen over de buitenlandse politiek van
de VS. Kritiek op het VS-imperialisme en een groeiend nationaal
bewustzijn in India. Een vertegenwoordiger van de Ford Foundation
schreef dat de tijd van buitenlandse hulp voorbij was. En inderdaad
spitste de situatie zich binnen enkele jaren toe: in 1973 moest US-AID
vanwege antipatiën en sterk anti-amerikaanse gevoelens haar bureau in
New Delhi sluiten, de medewerkers werden het land uitgewezen.</font></p>


<p><font face="Arial">Onder de bevolkingswetenschappers had zich in die
jaren een felle discussie over efficiëntie en maakbaarheid van dit
soort programma's afgespeeld, die nu ook haar intrede deed in de
herformulering van een bevolkingspolitieke strategie. Een speciale rol
hierbij speelde de kritiek van de socioloog Kingsley Davis, die lange
tijd zowel binnen het Population Reference Bureau als binnen de
American Eugenic Society werkzaam was. In een artikel dat in 1967 in
het wetenschappelijke tijdschrift Science verscheen, had Davis de
gezinsplanners aangepakt. Hun programma's zouden niet effectief zijn en
te veel georiënteerd op conservatieve waarden en normen (versterking
van het gezin, respect tegenover de kerk en tegenstanders van abortus).
Alleen de verspreiding van voorbehoedmiddelen zou weliswaar de
individuele en vrijwillige gezinsplanning vergemakkelijken, maar
daarmee alleen maar ongewenste geboorten verhinderen. Voor een
effectieve bevolkingscontrôle in het belang van de staat zou dat lang
niet voldoende zijn. Davis gebood om in plaats van de tot nu toe
gepraktizeerde "technische hulp" het "geheel van motiverende factoren"
te onderzoeken die bij anticonceptie een rol spelen. Bevolkingsgroei
zou maatschappelijk gebonden zijn en alleen afgeremd kunnen worden,
wanneer men ook de sociale structuur fundamenteel zou wijzigen.
Bevolkingscontrole zou daarom geen zaak van het ministerie van
volksgezondheid moeten zijn, maar van het ministerie van economische
zaken en van het ministerie van onderwijs en opvoeding.</font></p>


<p><font face="Arial">"Beyond family planning" was de nieuwe leus,
waarbinnen alle "sleutelvariabelen" onderzocht moesten worden - zowel
individuele drijfveren als maatschappelijke invloeden. Nadat het niet
was gelukt het "perfecte" voorbehoedmiddel te vervaardigen om het
"bevolkingsprobleem" in een klap op te lossen, hoopte men nu door
middel van "social engineering" de specifieke sociale variabele op te
sporen, om de wensen en het "reproduktieve gedrag" van vrouwen te
veranderen(40). Echter, indien de nodige "vraag" naar gezinsplanning
niet door beïnvloeding van het sociale milieu zou kunnen worden
gecreeerd, zouden ook dwangmaatregelen in aanmerking komen.</font></p>


<p><font face="Arial">Oscar Harkavy van de Ford Foundation hield zich
intensief bezig met de kritiek van Davis, maar trok in twijfel of de
voorgestelde ingrijpende veranderingen van de sociale structuur
mogelijk zouden zijn. In plaats daarvan zag hij in 1968 andere
mogelijkheden voor de wetenschap "voor het grijpen" liggen:
onvruchtbaar makende middelen die samen met het voedsel zouden worden
verstrekt en waarvan de werking alleen opgeheven kan worden door een
onder regeringscontrôle staand anti-middel. Soortgelijke voorstellen
kwamen in augustus 1968 van Bernard Berelson,president van de
Population Council en voordien bij de Ford Foundation belast met
bevolkingsvraagstukken. Verder dacht hij aan bevolkingspolitiek
onderwijs, fiscale benadeling vanaf een bepaald kindertal, pressie op
regeringen en religieuze groepen ten bate van geboortencontrôle,
evenals de mogelijkheid kinderen alleen nog geboren te laten worden
wanneer de ouders over een passende vergunning beschikten (41). Op de
conferentie van de Ford Foundation in 1974 in het Columbiaanse Cali
besprak de feministische bevolkingsdeskundige Adrienne Germain samen
met haar collega's Lyle Saunders en Michael Teitelbaum een zeer
gespecialiseerde lijst van alle variabelen die naar de mening van de
genodigden het "vruchtbaarheidsgedrag" zou kunnen beïnvloeden. Het
spectrum strekte zich uit van "onvrijwillige onthouding" (bijvoorbeeld
door een oproep voor militaire dienst) langs verhoging van de huwbare
leeftijd tot aan financiele zekerheid voor vrouwen zonder
partnerrelaties.</font></p>


<p><font face="Arial">Reorganisatie van de bevolkingscontrôle aan het
begin van de 70er jaren was echter niet alleen zichtbaar tegen de
achtergrond van academische debatten en het tot dan toe mislukken van
de praktijk. Nieuwe organisaties als de UNFPA en de Wereldbank waren op
het toneel verschenen als geldschieters voor bevolkingspolitieke
maatregelen. En niet in de laatste plaats kreeg de vrouwenbeweging een
blijvende invloed op de strijd om de toekomstige koers van
bevolkingspolitiek. Vooral in de Ford Foundation, maar ook in andere&nbsp;
geldschenkende instellingen namen geengageerde feministes deel aan de
op handen zijnde koerswijziging.</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>De VN: overwinning op een tweestrijd.</i></b><br  />
Het in 1969 opgezette bevolkingsfonds van de Verenigde Naties, de
UNFPA, geldt tegenwoordig samen met de AID, de internationale federatie
voor geboortencontrole IPPF en de Population Council tot de grootste
geldschieters voor bevolkingsprogramma's. Deze ontwikkeling is des te
meer verwonderlijk, wanneer je bedenkt dat in de eerste 20 jaar na de
oprichting van de VN de meeste commissies van de organisatie inmenging
in bevolkingsaangelegenheden hadden afgewezen. Tot in de jaren '60 gold
de veronderstelling dat bevolkingsgroei een probleem zou zijn als zeer
omstreden. Een actieve rol van de VN bij realisering van
gezinsplanningscampagnes was al helemaal niet aan de orde. Veel
regeringen, en vooral uit de landen van het zuiden, stonden afwijzend
tegenover bevolkingscontrôle, omdat men in een talrijke, groeiende
bevolking een economisch en vaak ook militair voordeel; een teken van
nationale kracht, zag. Andere hadden religieus-morele bezwaren tegen de
verspreiding van voorbehoedmiddelen, en met name de socialistische
staten gingen er vanuit dat bevolkingsontwikkeling alleen door
verandering van de economische situatie van een land geregeld kon
worden. Eensgezindheid bestond er aanvankelijk alleen over dat de VN
bevolkingscijfers, -statistieken en -prognoses zou opstellen. In feite
voerden de Verenigde Naties na een kleine, tijdelijke vertraging,
dezelfde omslag door. Ze kwamen tot dezelfde "inzichten" ten aanzien
van de noodzaak van bevolkingspolitieke maatregelen als de
overheidsinstanties van de VS (43). Soms waren het dezelfde mannen die
in beide instituten werkten en die het doordrukken van hun standpunten
in de VN-organen als een groot succes beschouwden. Dit omdat de
wereldorganisatie, in tegenstelling tot de bevolkingspolitieke
instituten van de VS, als neutraal en onpartijdig gold. "Op elke stap
in de VS-politiek&nbsp; of bij het vergaren van financiële middelen, aldus
Phillis Piotrow, volgde na een zekere tijd van heroriëntatie (...)
pressie van de VS op de Verenigde Naties om vergelijkbare stappen te
zetten. Deze druk op de VN werd zowel door middel van formele
stellingnames van de VS, als door hulp van de informele beïnvloeding
van bevolkingsactivisten als Rockefeller of Draper[1] uitgeoefend.</font></p>


<p><font face="Arial">Hoewel in de VN nog lange tijd onenigheid heerste
over het bevolkingsvraagstuk, werden al in de beginjaren op cruciale
terreinen de bakens omgezet om een reducering van de bevolkingsgroei
als voorwaarde voor economische ontwikkeling te prolameren. Dit wordt
door Abeselom geschetst met het voorbeeld van de invloedrijke
economische commissie van de VN voor Azië en het Verre Oosten (ECAFE):
In 1947 had de commissie nog een werkgroep naar Azië uitgezonden om de
gevolgen van de oorlog daar te bestuderen. Als uitkomst van het
onderzoek noemde de commissie verschillende hindernissen voor de
economische wederopbouw, met name politieke onrust, maar ook een gebrek
aan kapitaal, produktiemiddelen, grondstoffen en geschoolde
arbeidersters. Zonder één of ander Marshallplan zouden de moeilijkheden
niet te overwinnen zijn. De bevolkingsexplosiewerd niet voorgesteld als
oorzaak, en al evenmin de geboortencontrole als oplossingvoor de
wantoestanden. Desondanks vroeg de economische commissie in de 50er
jaren nadrukkelijk bevolkingspolitiek engagement van de VN in die
regio[2]. De vraag drong zich op, volgens Abeselom, waarom alleen voor
Europa financiële steun voor de economische wederopbouw (...)
beschikbaar gesteld werd, maar voor Azië en het Verre Oosten alleen
(...) geboortencontrole, ondanks het feit dat de problemen en haar
oorzaken, in konkreto de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog, overal
een sprekende gelijkenis vertonen [3]. In oktober 1946 besloot de
Economische en Sociale Raad van de VN (ECOSOC) na enkele kibbelarijtjes
tot de oprichting van een Population Commission[4]. Haar taak zou zijn
onderzoek te doen naar bevolkingsomvang en -structuur, naar de
onderlinge relatie tussen demografische, economische en sociale
factorenen ook naar de effecten van een demografische politiek[5]. De
Population Commission had dus geen beslissingsbevoegdheid, maar kon wel
middels het vrijgeven van informatie de discussie binnen de VN
beïnvloeden. De uitvoering van het bijbehorende wetenschappelijk
onderzoek werd echter aan de Population Division opgedragen, een
permanente onderafdeling van het VN-secretariaat. Tussen beide
instituten kwam het al snel tot flinke aanvaringen. </font></p>


<p><font face="Arial">In de Population Commission bestreden de
gedelegeerden van de socialistische landen net als de gerenommeerde
Franse demograaf Alfred Sauvy, directeur van het Institut National
dEtudes Demographiques te Parijs[6], jaren achtereen elke poging
bevolkingsgroei tot een probleem op zich te verklaren om daarmee de
commissie een neo-malthusiaanse koers te laten varen. Daarnaast
verhinderden de vertegenwoordigers van landen met een overwegend
katholieke bevolking (Brazilië, Argentinië, Italië, Ierland en België)
dat de Population Commission zich uitsprak voor een deelname van de VN
aan gezinsplanningsprogrammas. Volgens het officiële standpunt van de
katholieke kerk was de bevolkingsgroei weliswaar een ernstig probleem,
maar waren geboortencontrole en abortus geen gepaste antwoorden.</font></p>


<p><font face="Arial">In de Population Division had zich daarentegen
onder leiding van Frank Notestein een totaal anders georiënteerde groep
demografen verzameld[7]. Terwijl de Population Commission hardnekkig
weigerde de regeringen van de VN-lidstaten een anti-natalistische
politiek aan te bevelen, drong de Population Division er op aan dit
juist wel te doen. Centraal twistpunt tussen de neo-malthusianen en hun
tegenstanders binnen de VN was de vraag of een sterke bevolkingsgroei
de ontwikkeling belemmerde of eerder stimuleerde. Des te urgenter was
het voor de protagonisten van een VN-bevolkingspolitiek in de daarop
volgende jaren andere dan economische redenen voor hun wens te berde te
brengen en de noodzaak van gezinsplanning met (sociale of culturele)
argumenten te motiveren, die van de kant van de katholieke kerk of de
socialistisch bestuurde landen op minder weerstand zouden stuiten[8].
Een door de Population Division opgestelde studie, die later onder de
titel Determinants and Consequences of Population Trendsuitgroeide tot
een demografische naslagwerk, leidde in 1950 tot een schandaal tussen
Commission en Division, omdat in deze studie de stelling werd geponeerd
dat een tijdige beperking van de bevolkingsgroei in de meeste
ontwikkelingslandenzou bijdragen tot een stijging van de welvaart[9].</font></p>


<p><font face="Arial">Beide instituten neutraliseerden elkaars werking.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de impuls tot bevolkingspolitiek
initiatief van buitenaf kwam. In eerste instantie was het de Britse
zoöloog en eugeneticus Sir Julian Huxley, directeur-generaal van de
UNESCO, die er al in 1948 op aandrong dat de Verenigde Naties een
internationale conferentie over bevolkingsvraagstukken zouden
organiseren. Hij zou daarbij de wereldbevolkingsconferentie van 1927 in
Genève als voorbeeld voor ogen gehad kunnen hebben, waarbij hij als
leider van de sectie differentiële vruchtbaarheideen vooraanstaande rol
had gespeeld. Het voorstel van Huxley werd vooralsnog niet
verwezenlijkt; pas in 1954 werd de eerste
VN-wereldbevolkingsconferentie gehouden. Hij gebruikte echter zijn
invloed - en de bronnen van de UNESCO - om ook over de grenzen van zijn
bevoegdheid heen druk uit te oefenen inzake het
bevolkingsvraagstuk[10]. Daarnaast waren er ook in andere
onderafdelingen van de VN mensen, die bevolkingspolitieke inmenging
meer of minder expliciet bepleitten - en anderen, aanvankelijk de
meerderheid, die dit afwezen. Zo had FAO-directeur Norris Dodd in 1948
nog gepikeerd de propagandaafgewezen, als zou de wereld niet in staat
zijn voldoende voedingsmiddelen te produceren voor een groeiende
bevolking [11]. Met Benay Ranjan Sen trad in 1956 een nieuwe directeur
aan de top van deze voedsel- en landbouworganisatie aan, die niet
alleen - aanvankelijk nog tegen de meerderheid van de FAO-vakmensen in
- een wereldvoedselkrisisconstateerde, maar er ook voor pleitte deze
met hulp van een reducering van de bevolkingsgroei op te lossen[12].</font></p>


<p><font face="Arial">In de World Health Organization waren de
bedenkingen tegen bevolkingspolitieke inmenging van welke soort dan ook
bijzonder groot. Ze werden vooral naar voren gebracht door katholiek
georinteerde gedelegeerden, door de Sovjetunie en door Frankrijk en ook
door afgevaardigden van de franstalige Afrikaanse landen. Twijfels
waren er enerzijds over de deelname van de WHO aan de ontwikkeling en
de distributie van voorbehoedmiddelen, anderzijds vanwege de angst voor
het doorsluizen van voor malaria- en tuberculosebestrijding bedoelde
financiële middelen naar de programmas voor bevolkingscontrole. </font></p>


<p><font face="Arial">De internationale arbeidsorganisatie ILO had van
oudsher de oplossing voor het overbevolkingsprobleemgezien in een
internationaal gestuurde migratie; pogingen om de ILO aan het begin van
de jaren 50 tot een soort van wereldarbeidskrachtenbeursdan wel
internationaal migratiebureau om te turnen waren echter mislukt[13].
Andere vormen van bevolkingscontrole werden al in 1950 nadrukkelijk
bepleit door de man die jarenlang ILO-directeur was, David Morse[14].
Hij beschouwde het als een potentiële mogelijke functie van de ILO,
arbeiders en vakbonden overal ter wereld vertrouwd te maken met de
gigantische problemen die door de bevolkingsdruk worden veroorzaakten
met de mogelijkheid om door middel van gezinsplannig het levenspeil te
verhogen[15]. Binnen de organisatie bleef dit engagement evenwel
omstreden.</font></p>


<p><font face="Arial">De onenigheid over de houding van de VN inzake
het bevolkingsvraagstukhield bijna twee decennia aan. Gedurende welke
periode een praktisch engagement slechts zeer beperkt en enkel door het
behendig ontwijken van de verantwoordelijke commissies mogelijk
was[16]. De definitieve omslag in de denkwijze binnen de VN vond
halverwege de 60er jaren plaats en kan ongeveer als volgt worden
omschreven: Aanvankelijk werden in verschillende versies resoluties
aangenomen en stellingnames naar buiten gebracht, waarin de betekenis
van de bevolkingsontwikkeling voor het werkgebied van de desbetreffende
onderafdeling werd vastgesteld en het wetenschappelijk onderzoek van
het bevolkingsvraagstukbepleit. Vervolgens kwam er een statement dat de
betrokken VN-commissies toestond naar behoefte informatie aan lidstaten
over te dragen of deze te adviseren bij bevolkingsvraagstukken. En
tenslotte moest de VN op aanvraag ook technische hulpbij de uitwerking
en uitvoering van gezinsplanningsprogrammas verlenen. Af en toe werden
aan de tegenstanders gedane concessies opgenomen in de inleiding van de
resolutie, die dan bij een volgende gelegenheid meestal werd ontdaan
van de angel, dan wel geheel verwijderd. Zoals bijvoorbeeld ook de
garantie dat in ieder geval de nationale soevereiniteit onaangetast zou
moeten blijven, of, dat men nog steeds een progressieve economische
ontwikkeling als voorwaarde beschouwde voor de oplossingvan het
bevolkingsprobleem.</font></p>


<p><font face="Arial">Met de vraag naar een wetenschappelijke
bestudering van het bevolkingsprobleemstreefden de protagonisten een
tweeledig doel na: enerzijds moest op deze manier het bestaan van dit
probleemin de gelederen van de VN aangetoond worden. Anderzijds diende
de bevordering van onderzoek ook het neo-malthusiaanse propagandawerk
in het buitenland. De studies van de Population Division, aldus Stanley
Johnson, legden zorgvuldig de basis voor latere activiteiten en het
belang ervan zou nauwelijks kunnen worden overschat[17]. Een
belangrijke functie in dit proces van legitimering had bijvoorbeeld de
in opdracht van de Wereldbank doorgevoerde studie van Ansley Coale en
Edgar Hoover. De auteurs probeerden daarin met India als voorbeeld aan
te tonen, dat investeringen in gezinsplanning tot een stijging van het
inkomen per hoofd van de bevolking zou leiden. Dit rapport, waarvan de
essentie tot op de dag van vandaag de discussie bepaalt, leverde
uiteindelijk de rechtvaardiging voor geboortencontrole als onderdeel
van het ontwikkelingshulpbeleid van de VS[18].</font></p>


<p><font face="Arial">In 1954 vond in Rome de eerste
wereldbevolkingsconferentie van de VN plaats, waar 400 afgevaardigden,
voorgedragen door 85 regeringen, naar toe reisden. De bijeenkomst zou,
net als in 1927 de conferentie in Genève, een streng wetenschappelijk
karakter dragen en noch resoluties, noch aanbevelingen aan regeringen
afstaan. Maar&nbsp; de demografen Pascal Whelpton en Frank Lorimer zorgden
er wel voor, dat er ook over gezinsplanning werd gesproken. Ondanks de
claim van de conferentie op wetenschappelijkheid werd de zojuist
opgerichte gezinsplanningsorganisatie International Planned Parenthood
Federation (IPPF) opgeroepen twee waarnemers te sturen; daarnaast
werden echter ook nog waren twaalf leden van de federatie uitgenodigd
vanwege hun deskundigheid.[19]. Hoewel de botsingen tussen
neo-malthusianen en hun tegenstanders uit de socialistische landen
schijnbaar onverminderd doorgingen, beschouwde Notestein de conferentie
als uiterst nuttig om de interesse te wekken voor wetenschappelijke
bestudering van de bevolking, van zowel de geleerden als ook van de
regeringen . Alleen al het feit dat het gelukt was een
wereldbevolkingsconferentie te organiseren, onder regie van de VN gold
als een succes binnen de doelstelling dit thema met geweld op de agenda
van deze wereldorganisatie te plaatsen[20]. In de daarop volgende tijd
werkten de Verenigde Naties mee aan de oprichting van de eerste
demografische opleidingscentra in India (1956), Chili (1957) en Egypte
(1963)[21].</font></p>


<p><font face="Arial">Nog in de 50er jaren werden bevolkingsdeskundiges
en -deskundigen in opdracht van de VN naar Indonesië gestuurd om de
regering aldaar te adviseren in bevolkingskwesties. De Duitse
bevolkingseconome Hilde Wander slaagde er bij deze gelegenheid in, als
Population Advisor van de VN de Indonesische regering er van te
overtuigen dat een hoge bevolkingsgroei schadelijk was voor de
economische ontwikkeling&nbsp; - een vooronderstelling die toentertijd
binnen de Verenigde Naties nog uiterst omstreden was[22].</font></p>


<p><font face="Arial">Op de volgende wereldbevolkingsconferentie die in
1965 in Belgrado plaatsvond, was het decor al sterk veranderd. De
algemene vergadering van de VN had een eerste resolutie aangaande het
bevolkingsvraagstukaangenomen[23] en de praktische
voorbereidingswerkzaamheden voor een VN-bevolkingspolitiek, welke nu
kon steunen op de meerderheid van de gedelegeerden, was begonnen. Wat
de politiek van de VS-regering betreft hadden de bevolkingsactivisten
de grote doorbraakal bereikt en nu begon die zich ook binnen de VN af
te tekenen. Volgens inlichtingen van twee medewerkers van US-AID was in
dit verband ook de keuze voor de conferentieplek van betekenis: Door de
wereldbevolkingsconferentie voor het eerst in een door socialisten
bestuurd land te laten plaatsvinden, zou ook het Oostblokmede de
verantwoordelijkheid op zich moeten nemen[24]. Hoewel ook op de
conferentie in Belgrado alleen deskundigen uitgenodigd waren;
academischzou men hen desondanks niet kunnen noemen, aldus het Duitse
delegatielid Hermann Schubnell. In alle bijdragen en discussies was de
achter de wetenschappelijke betogen liggende praktische problematiek en
haar urgentie voelbaar[25].</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Het menselijk recht op gezinsplanning.</i></b><br  />
In december 1966 had de algemene vergadering van de VN via een
resolutie de uitbreiding van de bevolkingsactiviteiten
verordonneerd[26]. Aanvankelijk ontbrak het daarvoor echter aan
geschikt personeel en aan geld. Bovendien bleek de bureaucratische
structuur van de VN soms een obstakel voor de naar de praktijk
verlangende bevolkingspolitici. Deze keer was generaal Draper, wiens
bevolkingspolitieke plannen in 1959 door Eisenhower afgewezen waren,
succesvol bij zijn poging achter de coulissen de bakens te verzetten.
Met behulp van persoonlijke contacten en afspraken in de besloten kring
van geïnteresseerdenslaagde hij erin ook secretaris-generaal Sithu U
Thant er van te overtuigen dat men naast demografisch onderzoek en
scholing nu stappen moest zetten om VN-bronnen te mobiliseren voor
nationale bevolkings- en gezinsplanningsprogrammas[27]. Als antwoord
daarop kondigde U Thant in de zomer van 1967 de oprichting aan van een
financieel fonds aan, waarin ook regeringen en privépersonen vrijwillig
bijdragen konden storten. Binnen twee jaar werd dit fonds, dat
aanvankelijk niet veel meer was dan een soort bankrekening[28], een
instantie op zich: het United Nations Fund for Population Activities
(UNFPA). In het begin was het fonds ondergebracht bij het United
Nations Development Program (UNDP), de ontwikkelingspolitieke afdeling
van de Verenigde Naties[29]. Deze beschikte over een wereldwijd net van
medewerkers en projecten, dus over gunstige organisatorische
voorwaarden. Hoewel tot op dat moment van ontwikkelingslandennog
nauwelijks aanvragen voor VN-ondersteuning inzake bevolkingspolitieke
maatregelen op tafel lagen, zou het aanbod al snel de vraag creëren.
Ook bij US-AID, zo verklaarde Draper optimistisch, zouden in tijden van
kleine budgetten amper gezinsplanningsprojecten worden aangevraagd. Met
de plotselinge opzwelling van de begroting tot 35 miljoen dollar, die
aan geen ander doel mocht worden besteed, zou ook het aantal aanvragen
ineens de hoogte in schieten[30]. In de tijd daaropvolgend werd het
VN-bevolkingsfonds financieel en organisatorisch behoorlijk versterkt.
De regering Nixon had zich bereid verklaard 7,5 miljoen dollar te
betalen op voorwaarde dat eenzelfde bedrag door anderen opgebracht zou
worden. Daarop wendde Draper zich schriftelijk dan wel persoonlijk tot
alle in aanmerking komende donateurs, in het bijzonder tot de
Scandinavische landen[31], de Bondsrepubliek Duitsland, Groot-Brittanië
en Canada[32]. De regering van de Bondsrepubliek Duitsland maakte in
1970 voor het eerst geld over aan de UNFPA. Daar was een afspraak
tussen de sociaal-liberale regering en de CDU-oppositie aan
voorafgegaan om bevolkingsprogrammas in principe te ondersteunen. Het
thema was een heet hangijzer, enerzijds vanwege het
nationaal-socialistische verleden en anderzijds omdat men verwachtte
door de DDR van imperialisme beschuldigd te worden. Van het Duitse geld
werd in het begin 75 procent aan het bevolkingsfonds van de VN betaald
en 25 procent aan de gezinsplanningsorganisatie IPPF. Doordat deze het
Duitse overheidsgeld in de ontwikkelingslandendoorgaf aan de bij haar
aangesloten organisaties van dat moment, hoopte men de verdenking van
bevoogding te vermijden[33]. Net zoals de Duitse regering betaalde ook
de UNFPA een deel van de middelen voor bevolkingsprogrammas aan NGOs
zoals de IPPF of de Population Council[34]. Het erbij betrekken van
NGOs alsook het aanboren van geldbronnen buiten de VN had voor de
aanvoerdersniet in de laatste plaats ook het voordeel dat zij op deze
manier een alleszins logge en hun niet per se politiek gewillige
VN-bureaucratie omzeilen konden.</font></p>


<p><font face="Arial">Eind 1969 had Hoffman de Filipijnse
staatssecretaris Rafael Salas tot chef van het bevolkingsfonds benoemd.
In 1971 bedroeg het budget van de UNFPA al 30 miljoen dollar,
opgebracht door 46 landen[35]. Pas in de herfst van dat jaar, nadat de
UNFPA al vele jaren aan het werk was, alle belangrijke posities bezet
waren en het beleid in grote lijnen was vastgesteld, werd het nieuwe
bevolkingspolitieke centrum van de VN ook door de algemene vergadering
van de Verenigde Naties goedgekeurd[36].</font></p>


<p><font face="Arial">Hoewel de bevolkingspolitiek van de VN werd
gecentraliseerd in de UNFPA, ging het lobbywerk ook daarbuiten verder.
In december 1967 bracht Rockefeller een World Leaders statementin
omloop, dat door 30 staatshoofden werd ondertekend en waarin de
beslissing over kindertal en afstand tussen de geboorten tot een
fundamenteel mensenrecht werd benoemd. Enkele maanden later verklaarde
de VN-mensenrechtenconferentie in Teheran de vrije en verantwoordelijke
beslissingsbevoegdheid van partners over het aantal van en de afstand
tussen de geboorte van hun kinderentot een mensenrecht. Ofschoon
daarmee niet expliciet de beperking van de gezinsgrootte verlangd werd,
speelt dit mensenrechttot op de dag van vandaag een belangrijke rol bij
de legitimering van gezinsplanningscampagnes.De uitvoerders hiervan
konden en kunnen zich nu naar behoefte beroepen op de mensenrechten in
plaats van op omstreden economische argumenten en
onheilsvoorspellingen.[37]*. De suggestie dat bij VN-bevolkingspolitiek
de universele en individuele mensenrechten centraal zouden staan, wordt
door de UNFPA zelf weerlegd wanneer zij haar bevolkingspremiesuitkeert
aan regeringen, welke op hun beurt ook weer dwangmaatregelen toepassen
om het geboortencijfer te verlagen. Zo ontving de Indiase
minister-president Indira Ghandi, onder wiens bewind
gedwongen-sterilisatiecampagnes werden doorgevoerd, samen met de
Chinese minister voor Family Planning Qian Xinzhong de
VN-bevolkingsprijs. In 1989 werd de Indonesische president Suharto
onderscheiden voor zijn bevolkingspolitiek[38]. </font></p>


<p><font face="Arial">In 1976 werd in het tijdschrift Populi van de
UNFPA ingegaan op de vraag of bevolkingspolitieke dwangmaatregelen
verenigbaar zouden zijn met mensenrechten. Gedwongen sterilisaties,
aldus de inschatting van de auteur, zijn in strijd met de
menselijkheid. Minder vergaande lichamelijke ingrepen zouden echter bij
een verscherping van de wereldbevolkingscrisisgerechtvaardigd kunnen
zijn. Wanneer een van overheidswege opgelegde inentingsplicht of het
verbod op polygamie verenigbaar is met mensenrechten, waarom dan ook
niet een bestuurlijke beperking van het kindertal? Aanleiding voor deze
uiteenzettingen was de zojuist in India gestarte campagne voor
gedwongen sterilisatie en het artikel pleitte indirect voor goedkeuring
hiervan door de VN.[39]</font></p>


<p><font face="Arial">In 1968 werd Robert McNamara benoemd tot
president van de Wereldbank. Hij verklaarde de bevolkingsgroei tot de
grootste barrière voor de economische en sociale vooruitgang in de
onderontwikkelde wereld[40] en kondigde aan dat de Wereldbank van nu af
aan al haar machtsmiddelen zou gaan inzetten om de bevolkingscontrole
te verwezenlijken.</font></p>


<p><font face="Arial">Dit alles betekende echter nog niet dat de
bevolkingspolitieke concepten van de VN ook daar werden geaccepteerd,
waar ze in de praktijk gebracht moesten worden. Zo weigerden juist die
landen de VN informatie te verstrekken over hun demografische
ontwikkeling, die zogenaamd de grootste bevolkingsproblemen hadden: In
de jaren 1972/73 weigerden China (dat toentertijd voorstander van
bevolkingsgroei was), India, Indonesië, Brazilië en Nigeria een door de
Population Commission georganiseerde enquete over mogelijke
wisselwerkingen tussen economische- en bevolkingsgroei te
beantwoorden.[41]</font></p>


<p><font face="Arial">Op de wereldbevolkingsconferentie die in 1974 in
Boekarest plaatsvond, kwam de twijfel en afkeuring van talrijke
niet-geïndustrialiseerde landen met betrekking tot de
bevolkingspolitiek van de VN duidelijk tot uitdrukking. In Boekarest
ontmoetten elkaar voor het eerst niet alleen deskundiges en
deskundigen, maar ook politieke regeringsafgevaardigden. De Economische
en Sociale Raad van de VN had het idee van Draper opgepakt en
voorgesteld het jaar 1974 tot Jaar van de Wereldbevolkinguit te
roepen.[42] Zowel de conferentie, waarop voor de eerste keer ook een
wereldbevolkingsactieplan aangenomen zou worden, als ook het
Wereldbevolkingsjaardienden ertoe, een vermindering van de globale
bevolkingsgroei als consensus binnen de VN vast te leggen. In plaats
daarvan kwam het in Boekarest echter tot heftige discussies waarin de
dominantie van de industriestaten, en in het bijzonder die van de VS,
werd aangevallen. Kritiek op de neo-malthusiaanse bevolkingspolitiek
uitten vooral afgevaardigden uit socialistisch bestuurde landen en uit
Afrika. De Duitse demografe Gabriele Wülker maakte melding van een diep
wantrouwen jegens de industrielandenvan de kant van de Afrikaanse
gedelegeerden.[43] Veel vertegenwoordigers van niet-geïndustrialiseerde
landen stonden erop dat ontwikkelingspolitieke maatregelen voorrang
kregen boven een op demografische streefcijfers georinteerde
bevolkingscontrole. Deze veroordeelden ze namelijk als imperialistische
inmenging en ze verlangden een nieuwe internationale economische orde*.</font></p>


<p><font face="Arial">Ondanks de grote meningsverschillen die in
Boekarest naar voren kwamen, was de conferentie een succes voor de
voorstanders van actieve interventie. De door hen naar voren gebrachte
concepten en probleemstellingen bepaalden - naast alle kritiek - het
verloop van de discussie. Op deze manier, zo schrijft Rajani Bhatia,
zou het succes van de malthusianen van tevoren al vaststaan, een
ingebouwde factor in de totale conferentie-architectuur. De Süddeutsche
Zeitung vatte het resultaat als volgt samen: De industrielanden en
internationale organisaties die aan effectieve bevolkingspolitieke
programmas in de Derde Wereld meewerken, kunnen dit voortaan onder
VN-vlag doen; ze zijn daardoor niet meer zo gemakkelijk als
neokolonialistente belasteren. Met de formulering ter verwezenlijking
van het actieplan van de VN...zijn ettelijke bilaterale maatregelen
mogelijk, die tot nog toe als te precair werden gezien.[44]</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Wij kunnen niet wachten</i></b><br  />
In december 1974 diende de National Security Council van de VS een
rapport in, waarin de effecten van de wereldwijde bevolkingsgroei op de
veiligheid van de VS en haar belangen overzee onderzocht werden. In het
rapport werden onder andere overwegingen geformuleerd over hoe het in
Boekarest aangenomen actieplan voor de VS succesvol aangepakt zou
kunnen worden. De wereld, zo wordt erin beweerd, zou in toenemende mate
afhankelijk zijn van de hulpvoorraden van de "ontwikkelingslanden"; een
snelle bevolkingsgroei zou echter het vooruitzicht van deze landen op
economische ontwikkeling en sociale vooruitgang frustreren. Het zou tot
politieke instabiliteit leiden, wat de stroom van hulpmiddelen naar de
westerse wereld in gevaar zou brengen. Van het motto van het actieplan
van Boekarest, volgens welke ontwikkelingvoorrang moest krijgen boven
bevolkingscontrole, moest de National Security Council niets hebben:
Wij kunnen niet wachten op een omvangrijke modernisering en
ontwikkeling om de vruchtbaarheidspercentages te verlagen, omdat dit in
de meeste ontwikkelingslanden ongetwijfeld vele decennia in beslag zal
nemen, terwijl ondertussen de snelle bevolkingsgroei de ontwikkeling
zal vertragen en de kloof tussen arm en rijk zelfs vergroten.[45] De
tegenwoordig wijd verbreide opvatting dat demografische groei bijna
automatisch politieke instabiliteit tot gevolg zou hebben, werd ook in
dit geheime document al verdedigd en daaruit werd afgeleid dat niet
alleen de veiligheid van de VS, maar ver daarboven uit ook de
economische, politieke en ecologische systemen en uiteindelijk zelfs
onze humanitaire waardenwerden bedreigd. Het uitwerken van het
actieplan van Boekarest zou niet vanzelf gaan, maar forse inspanningen
vragen van de kant van de belanghebbende landen, van de
VN-agentschappen en van andere internationale organisaties, waarbij
leiding van de VS van essentieel belang zou zijn. In het document wordt
verder door de AID een aanzienlijke verhoging van de financiële
bijdragen voor bevolkings- en gezinsplanning verlangd. De inspanningen
van de VS moesten zich hoofdzakelijk op zogeheten sleutellanden
concentreren, landen aan welke een bijzonder politiek en strategisch
belang werd toegekend: India, Bangladesh, Pakistan, Nigeria, Mexico,
Indonesië, Brazilië, Filipijnen, Thailand, Egypte, Turkije, Ethiopië en
Colombia.</font></p>


<p><font face="Arial">Het is moeilijk te zeggen welke rol het
strategierapport van de National Security Council in de praktijk heeft
gespeeld. Vast staat alleen, op de volgende wereldbevolkingsconferentie
die in 1974 in Mexico City gehouden werd, veel landen uit het zuiden
hun standpunt met betrekking tot het bevolkingsvraagstukveranderd
hadden en nu zelf bereid waren een politiek van bevolkingscontrole uit
te oefenen. De Chinese regering had een draai van 180 graden gemaakt en
was overgestapt op een strenge politiek van bevolkingscontrole. De
nieuwe neo-malthusiaanse eensgezindheid werd van onverwachte zijde
verstoord: De verrassingscoup (...) was de totale politieke ommezwaai
die de VS, de tot dan toe meest daadkrachtige geldschieter, maakte -
een historische esprit de lescalier. Sinds de vijftiger jaren had
niemand als de VS zo offensief bevolkingscontrole gepropageerd als
motor van economische vooruitgang en gebruikt als politiek instrument
in het buitenlandbeleid. De regering Reagan wilde in verkiezingstijd
echter niet de sympathie van de Pro-life beweging verspelen en trad zo
trad zij nu als zedenprediker op tegen abortus en dwangmaatregelen.[46]</font></p>


<p><font face="Arial">Deze&nbsp; ommekeer werd ook wetenschappelijk
onderbouwd - met de theorieën van de econoom Julian Simon. Dus nu werd
bevolkingsgroei niet meer per se als positief of negatief bestempeld;
een hoge bevolkingsdichtheid zou zelfs de economische ontwikkeling
kunnen beïnvloeden, daaar de infrastructuur beter gebruikt zou kunnen
worden. Over het algemeen pleitten Simon en verscheidene van zijn
collegas ervoor, demografische en ook economische ontwikkeling aan
marktmechanismen over te laten .[47]</font></p>


<p><font face="Arial">In overeenstemming met de nieuwe politieke lijn
mocht vanaf dat moment abortus niet meer met overheidsgeld van de VS
betaald worden. Daarom werd US-AID gedwongen de steun voor de UNFPA en
de IPPF stop te zetten vanwege de deelname van deze organisaties aan
abortus.[48] Dit betekende echter geenszins een korting, maar enkel en
alleen het geven van een andere bestemming aan het budget: in de acht
jaren van de Reagan-regering werd in de VS-begroting meer geld voor
bevolkingspolitiek gereserveerd dan in de 17 jaren van de voorafgaande
regeringen met haar neo-malthusiaans beleid.[49] Onder de veranderde
omstandigheden ontstonden nieuwe afwegingen in de bevolkingspolitiek.
Vanaf 1984 legde US-AID in haar bevolkingspolitiek het accent op
natuurlijke gezinsplanning.[50]</font></p>


<p><font face="Arial">In de periode tussen de
wereldbevolkingsconferenties van Boekarest en Mexico stelde de UNFPA
voor het eerst een World Fertility Surveyop, waarin het data verzamelde
over vruchtbaarheid en gezinsgrootte in 19 industrie- en 41
ontwikkelingslanden. De gegevens van deze wereldomvattende statistische
registratie van de menselijke voortplanting werden gebruikt voor een
schijnbaar wetenschappelijke legitimringering van bevolkingsprogrammas.
De eindconclusie van de World Fertility Surveywas, dat de meerderheid
van de ondervraagde vrouwen in het zuiden minder kinderen wenste dan ze
feitelijk hadden.[51] Het demografische mammoetproject, dat in
regelmatige tussenpozen wordt herhaald, heeft ertoe bijgedragen dat de
economische motivering van de neo-malthusiaanse bevolkingspolitiek
sinds het eind van de jaren 70 door een argumentatie is vervangen die
de behoeften van vrouwen uit de landen in het zuiden centraal stelt.
Parallel daarmee heeft ook in de belangrijkste bevolkingspolitieke
instituten een feminiseringplaatsgevonden. Zo werd US-AID na de
infunctietreding van de regering Clinton ingrijpend gereorganiseerd*.
Het Population Office uit het Ravenholt-tijdperk, dat zoveel
buitengewone mannenhad voortgebracht, werd opgeheven respectievelijk
met de AID-gezondheidsafdeling samengevoegd tot een centrum voor
bevolking, gezondheid en voeding. Daar werken inmiddels ook feministes
die de uitgesproken wens hebben een op de behoeften van vrouwen
afgestemde bevolkingspolitiek te ontwikkelen - schouder aan schouder
naast de oude garde van AID-medewerkers, die eraan gewend zijn het
resultaat van hun werk af te meten aan het systeem van
'per-duizend-punten' dalende geboortencijfers.[52]</font></p>


<p><font face="Arial"><b>Noten:</b><br  />
* Rajani Bhatia houdt zich uitvoerig bezig met de legitimerende werking
van deze Teheran-verklaring op de lange termijn. Zij wijst op de
paradox een vrije en tegelijkertijd verantwoordelijke beslissing te
eisen. En ook daarop dat in de verklaring wordt beweerd dat
bevolkingsgroei er de oorzaak van zou zijn dat de mensen in de landen
van het zuiden hun mensenrechten niet volledig zouden kunnen benutten.
De Teheran-verklaring, zo citeert ze een artikel uit Studies in Family
Planning, zou als poging van de internationale gemeenschap gezien
kunnen worden om druk uit te oefenen op de minder ontwikkelde staten
die zich tot dan toe tegen de verspreiding van voorbehoedmiddelen
binnen hun grenzen hadden verzet.<br  />
* De Indiase minister voor Volksgezondheid en Welzijn van het gezin,
Charan Singh, formuleerde op de conferentie de beroemde zin:
Ontwikkeling is het beste voorbehoedmiddel.<br  />

* Sindsdien betaalt de VS-regering weer haar bijdrage aan de UNFPA.</font></p>



<p><font face="Arial">[1]. Piotrow, p.200.<br  />

[2]. Zie: Symonds / Carder, p.81, 135.<br  />

[3]. Abeselom, p.41.<br  />
[4]. Eigenlijk had het orgaan Demographic Commissionmoeten heten; de
door Groot-Brittanië afgedwongen naamswijziging duidde al op het
streven naar een uitbreiding van de bevoegdheden: van de demografie
naar de praktische bevolkingspolitiek. De afgevaardigden van de
Sovjetunie hadden tevergeefs voorgesteld om bevolkingsaangelegenheden
in een onderafdeling van de Statistische Commissie onder te brengen
waardoor het thema veel minder gewicht gekregen zou hebben. Als leden
van de commissie konden de regeringen van de in de VN vertegenwoordigde
staten vakbekwame personen voordragen, die vervolgens door een
subcommissie toegelaten moesten worden. Zie ook: Symonds / Carder, p.42.<br  />

[5]. Zie Symonds / Carder, p.42 e.v.; Abeselom, p.40.<br  />
[6]. Sauvy was tijdelijk ook voorzitter van de Population Commission en
ook (ere)lid van de ECOSOC en in het begin van de jaren 60 president
van de IUSIPP.<br  />
[7]. Tussen 1947 en 1953 had het Milbank Memorial Fund, een van de
belangrijkste geldschieters van de eugenetische beweging in de VS,
bijeenkomsten georganiseerd van bekende bevolkingsdeskundigen waaronder
naast Notestein ook Kingsley Davis, Philip Hauser, Pascal Whelpton,
Ronald Freedman, Frank Lorimer en Warren Thompson. Aan de samenkomsten,
tijdens welke het met name om bevolkingsproblemenin onderontwikkelde
landenging, namen regelmatig ook VN-medewerkers deel. Zie ook: Symonds
/Carder, p.52.<br  />

[8]. Zie ook: Piotrow, p.201.<br  />

[9]. Zie ook: Symonds / Carder, p.70.<br  />
[10]. Zie ook: Symonds / Carder, p.55. Ter ondersteuning van het
voorstel van Huxley gaf de UNESCO opdracht tot verschillende studies
aangaande het thema bevolking, waaronder ook aan Huxleys broer Aldous,
die in 1949 een geschrift met de titel The Double Crisispubliceerde.
Daarin zette hij uiteen, dat de bevolkingscrisisalleen opgelost kon
worden via een door alle naties gedragen wereldpolitiek die de
bevolkingsgroei op een niveau zou stabiliseren dat paste bij de
beschikbare hulpbronnen. <br  />

[11]. Zie ook: Symonds / Carder, p.56.<br  />
[12]. Op invitatie van Sen hield Rockefeller in november 1961 een rede
voor de FAO, waarin hij voor een politiek van bevolkingscontrole
pleitte met het argument, dat bevolkingsgroei na de controle over de
atoomwapens het belangrijkste probleem van onze tijdzou zijn. Symonds /
Carder, p.129. Symonds en Carder wijzen erop dat nog tot het einde van
de jaren 50 de meerderheid van de FAO-deskundigen van mening was, dat
ook met de toenmalige stand van de techniek een aanzienlijk grotere
wereldbevolking gevoed zou kunnen worden (p.39).<br  />

[13]. Idem, p.48 e.v.<br  />

[14]. Idem, p.57 e.v.<br  />

[15]. Zie: Johnson, p.38.<br  />
[16]. Zo had Abraham Stone als vertegenwoordiger van de WHO in India
een onderzoek gedaan naar de methode van periodieke onthouding en
daarbij ook voor andere anticonceptiemethoden geworven, nog voordat de
World Health Assembly toestemming had verleend voor een dergelijke
stap. Zie ook: Symonds /Carder, p.63.<br  />

[17]. zie Johnson, p.9.<br  />
[18]. Piotrow, p.15. Voor kritiek op het in 1958 opgestelde
Coale-Hoover-rapport zie Jacqueline Kasun, The War against Population.
The Economics and Ideology of Population Control, San Francisco 1988,
p.54 e.v.; Heinrich von Loesch benadrukt dat Coale en Hoover de
vooronderstelling tegenspreken volgens welke modernisering of
ontwikkelingin elk geval een teruggang van de vruchtbaarheid zouden
bewerkstellingen. Zie Heinrich von Loesch, p.80 e.v. <br  />

[19]. Zie Symonds / Carder, p.83 e.v.<br  />

[20]. Idem, p.86.<br  />

[21]. Idem, p.204 en 81.<br  />
[22]. Wander was in de periode van maart 1958 tot februari 1960 in
Indonesië. Zie ook Charlotte Höhn, Laudatio für Hilde Wander, in:
Zeitschrift für Bevölkerungswissenschaft 11 (1985), H.2, p.133-136,
hier p.134. <br  />
[23]. In resolutie 1838 (XVII) van 18.12.1962 (afgedrukt in: Johnson,
p.331 e.v.) wordt de bestudering van de bevolkingsontwikkeling en
vooral een enquête onder de regeringen van de lidstaten over de
verhouding tussen bevolkingsgroei en economische groei aanbevolen.
Hoewel de resolutie in essentie door Richard Gardner, binnen de
VS-regering verantwoordelijk voor de contacten met internationale
organisaties, was voorbereid en zowel met de VS-minister van
buitenlandse zaken alsook met het Witte Huis was doorgesproken,
onthielden de afgevaardigden van de VS zich uit tactische overwegingen
van stemming in de algemene vergadering van de VN - in de zekerheid dat
de resolutie ook zonder hun stem aangenomen zou worden. Zie ook:
Piotrow, p.66-69.<br  />

[24]. Informatie afkomstig van Charles Hemmer en William Johnson.<br  />

[25]. Hermann Schubnell, Weltbevölkerungskonferenz 1965 in Belgrad, in: AStA 50 (1966), p.114-123, hier p.118.<br  />
[26]. In resolutie 2211(XXI) van 17.12.1966 (afgedrukt in: Johnson,
p.333 e.v.) werd in verband met de resultaten van de
wereldbevolkingsconferentie van 1965 niet meer alleen de bestudering
van de bevolkingsontwikkeling vastgelegd, maar ook een langlopend
arbeidsprogramma aangekondigd dat de advisering van geïnteresseerde
regeringen in bevolkingsaangelegenheden omvatte.<br  />

[27]. Zie Piotrow, p.204.<br  />

[28]. Het fonds was in het begin echter klein; de VS hadden een bijdrage van 500.000 dollar beloofd.<br  />
[29]. Volgens Piotrow (p.211) was ook deze beslissing genomen door de
invloed van Draper, die zijn vriend Paul Hoffman - die direct betrokken
was bij zowel de uitvoering van het Marshallplan alsook bij het
VN-ontwikkelingsprogramma (UNDP) - won voor zijn bevolkingspolitieke
plannen.<br  />

[30]. Idem, p.207.<br  />
[31]. Zweden speelde een voortrekkersrol in de internationale
bevolkingspolitiek. De regering aldaar was wereldwijd de eerste die
gezinsplanning ondersteunde in het kader van de officiële buitenlandse
hulp.&nbsp; Zie Symonds /Carder, p.97. <br  />
[32]. Zie Piotrow, p.210. De inspanningen van Draper werden ondersteund
door de particuliere VS-Amerikaanse vereniging voor de Verenigde Naties
(United Nations Association of the United States), waartoe onder andere
Rockefeller, Notestein, de demograaf David Bell, Richard Gardner en de
chef van het Population Office van de Ford Foundation Oskar Harkavy
behoorden. Zie idem, p.208. Rockefeller zat de eerste jaren ook in het
adviescollege van de UNFPA. <br  />

[33]. Interview met Jürgen Sacklowski, medewerker van de UNFPA, op 1 november 1993.<br  />

[34]. Zie voor de rol van NGOs in de bevolkingspolitiek het hoofdstuk Feminisering of facelifting?.<br  />

[35]. Zie Piotrow, p.211.<br  />

[36]. Idem, p.215 e.v.<br  />

[37]. Bhatia, p.52-56.<br  />
[38]. Andere prijswinnaars waren de IPPF (1985) en de Population
Council (1992). In 1994 deelden de Egyptische president Moebarak, de
gastheervan de wereldbevolkingsconferentie, en de Turkse stichting voor
gezondheid en gezinsplanning een prijs van 10.000 dollar en de
bijbehorende gouden medaille. Zie ook de FAZ van 14.6.1994; Abeselom,
p.82 e.v.<br  />

[39]. Luke T. Lee, Compulsory Sterilization and Human Rights, in: Populi, vol.3, No.4, 1976.<br  />
[40]. Zie ook de rede die McNamara op 1 mei 1969 hield voor de
katholieke universiteit van Notre Dame, Indiana. Afgedrukt in: Robert
McNamara, One Hundred Countries, two Billion People. The Dimensions of
Development, New York, Washington, London, p.29-47.<br  />
[41]. Zie Abeselom, p.54. Bij de daarop volgende enquête in de periode
van 1978 tot 1980 gaven nog 24 van de 126 niet-geïndustrialiseerde
landen aan, dat zij een hoger groeicijfer van hun bevolking wensten
(p.55).<br  />

[42]. Zie Piotrow, p.215.<br  />
[43]. Gabriele Wülker, Population Tribune. Bukarest 18.-30.August 1974,
in: Bevölkerungswissenschaft - Bevölkerungspolitik. Wissenschaftlichte
Grundlagen bevölkerungspolitischen Handelns. Bericht über die
Studientagung der Deutschen Gesellschaft für Bevölkerungswissenschaft
vom 25.-29.11.1974 in Berlin, uitgeg. door Ernst Wolfgang Buchholz en
Hilde Wander, Stuttgart, Kiel 1975, p.45-60, hier p.48. De
afgevaardigden van de VS klaagden vooral over de politisering van de
conferentie, die het onmogelijk zou hebben gemaakt om zuiver en alleen
over bevolking te praten. Bovendien zouden de demografen niet voldoende
op de confrontatie voorbereid zijn geweest en daarom vaak niet in staat
de noodzakelijke gegevens voor te leggen om de urgentie van het
bevolkingsprobleemte kunnen onderstrepen. Zie ook het
conferentieverslag van W.Parker Mauldin, Nazli Choucri, Frank W.
Notestein, Michael Teitelbaum, A Report on Bucharest, in: Studies in
Family Planning, Vol.5, Number 12, December 1974, p.357-395.<br  />

[44]. Süddeutsche Zeitung van 31.8/1.9.1974, overgenomen van Abeselom, p.65.<br  />
[45]. NSSM 200. Implications of Worldwide Population Growth for U.S.
Security and Overseas Interest, December 10, 1974; NSIAD-ROS-89-7, p.7.
Het document was tot eind 1980 als geheimgeclassificeerd. <br  />
[46]. Christa Wichterich, Menschen nach Maß - Bevölkerung nach Plan.
Die neue Weltordnung der Fortpflanzung, in: Diess. (uitg.), Menschen
nach Maß. Bevölkerungspolitik in Nord und Süd, Göttingen 1994, p.9-37,
hier: p.23.<br  />
[47]. Zie Julian Simon, The Economics of Population Growth, Princeton
1977; Julian Simon, Hermann Kahn (ed.), The Resourceful Earth . A
Response to Global 2000, Oxford /New York 1984; verder Kasun, The War
against Population(zie noot 61); daarin vooral het hoofdstuk Plan vs.
Market in Population Control, waarin Kasun zich kritisch buigt over de
neo-malthusiaanse dogmas. Problematisch wordt haar verhandeling daar,
waar ze alle ongewenste ontwikkelingen terugvoert op de onproductieve
bureaucratieëndie het vrije spel van de marktmechanismen belemmeren.
Betsy Hartmann, die de stellingen van de conservatieve economen rondom
Simon aanvalt, benadrukt dat zij er toch aan hebben bijgedragen de
sinds deccenias bestaande malthus-orthodoxie open te breken. (Hartmann,
p.36)<br  />

[48]. Zie Dixon-Mueller, p.72-75.<br  />

[49]. Interview met Charles Hemmer en William Johnson.<br  />
[50]. Zie Dixon-Mueller, p.71. Daarbij wordt afgezien van
voorbehoedmiddelen en in plaats ervan geprobeerd via meting van de
lichaamstemperatuur, slijmonderzoek en andere methoden de vruchtbare
dagen te bepalen.<br  />

[51]. Wichterich, Menschen nach Maß, p.23.<br  />
[52]. Zie Amy J. Higer, U.S. Population Policy and Feminism: A Working
Relationship?, in: Political Enviroments, Summer 1995, issue #2.,
p.23-26.</font></p> ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">233@http://biopolitiek.nl/pivot/</guid>
			<category>Helix</category>
			<pubDate>Mon, 07 Feb 2005 12:33:00 +0100</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>H4. FEMINISERING OF FACELIFTING?</title>
			<link>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=234&amp;w=helix</link>
			<comments>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=234&amp;w=helix#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ <h3>Vrouwenbeweging en het bevolkingsdebat</h3>
<font face="Arial"><b><br  />
In september 1994 vond in Caïro de derde
VN-Wereldbevolkingsconferentie plaats(1). Er zou op deze International
Conference on Population and Development (ICPD) niet alleen
gediscussieerd worden over bevolking, maar ook over ontwikkeling. Naar
het voorbeeld van de Milieuconferentie in Rio 1992 was in Caïro voor
het eerst een groot aantal NGO's (niet-regeringsgebonden organisaties)
vertegenwoordigd(a).</b></font></p><p><font face="Arial">Aan het ontwerp van het slotdocument van de
conferentie, het zogenaamde aktieplan, hebben veel NGO-afgevaardigden
en in het bijzonder feministen meegewerkt tijdens drie
voorbereidingssymposia. Het aktieplan, dat gezien wordt als het meest
intensief bediscussieerde document in de VN-geschiedenis, draagt het
handschrift van de NGO's: het ziet af van het werken met
bevolkingspolitieke streefcijfers; demografische en
ontwikkelings-doelen zouden te bereiken zijn "door voorlichting en
vrijwillige maatregelen, i.p.v. door projecten die uitgaan van beloning
en straf", zo wordt benadrukt(2). In het document wordt veelvuldig
gesproken over "reproductieve gezondheid", "empowerment" van
vrouwen(b), over de complexe wisselwerkingen tussen armoede,
analfabetisme, bevolkingsgroei en milieuvernietiging en ook over de
"zelfbeschikking van de vrouw over haar kindertal". Het ontwerp bevat
geen doemscenario's over bevolkingsgroei; paragraaf 11 van het
aktieprogramma zou zelfs gelezen kunnen worden als een afkeer van het
neo-Malthusianisme: "Alle staten en gezinnen zouden kinderen de hoogst
mogelijke voorrang moeten geven"(3). </font></p>


<p><font face="Arial">"Reproductieve gezondheid" wordt gedefinieerd als
"een toestand van onbelemmerd lichamelijk, geestelijk en sociaal
welbevinden (en niet alleen als het niet-voorhanden-zijn van ziekte of
gebreken) ten aanzien van alle aspecten die verbonden zijn met de
voortplantingsorganen, hun functies en processen. Reproductieve
gezondheid betekent daarom dat mensen een bevredigend en ongevaarlijk
sexleven kunnen hebben, dat zij over de mogelijkheid tot voortplanting
beschikken en tevens over de vrijheid om te kiezen of, wanneer en hoe
vaak zij hiervan gebruik willen maken"(4).</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Er is in het aktiedocument zo vaak sprake
van grondrechten, keuze- en informatievrijheid, empowerment en
onafhankelijkheid, dat het eigenlijke doel van de
VN-bevolkingspolitiek, namelijk het reduceren van de wereldwijde
bevolkingsgroei, bijna alleen nog tussen de regels door herkenbaar is.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">De discussie over de vraag of de
doelstellingen en de inhoud van de bevolkingspolitiek te veranderen
zijn in het belang van vrouwen, had al tijdens de voorbereidingen op de
conferentie een hoogtepunt bereikt en de ophef duurt tot op de dag van
vandaag voort. De taal van feministen zou in Caïro overgenomen zijn
zonder dat de neo-Malthusiaanse orintatie en de vrouwvijandelijke
realiteit van de bevolkingspolitiek daadwerkelijk wezenlijk veranderd
is, aldus de mening van de kritici(5). Anderen daarentegen, zijn
voorstander van een institutionele 'feminisering' na: vrouwen zouden de
kans moeten grijpen zich in de instituten te mengen. Daarnaast hadden
de bevolkings-ingenieurs al begrepen dat zij verder geen successen
zouden behalen wanneer er geen rekening zou worden gehouden met
belangen van vrouwen.</font></p>


<p><font face="Arial">De vraag op welk moment inmenging afglijdt naar
deelname, is niet alleen een vraag voor feministen, maar voor veel
oppositiebewegingen. Hun principiële kritiek wordt namelijk vaak eerst
veranderd in een reformistisch geluid, om vervolgens te worden
ingekapseld. In dit geval heeft de interesse die de bevolkingspolitieke
lobbyclub voor feminisme toonde, vooral ook te maken met het mislukken
van hun oude plannen en methoden, die vooralsnog niet de gewenste
daling van geboortencijfers tot gevolg hadden gehad en ook geen
meetbare resultaten hadden opgeleverd. Deze oude plannen en methoden
hadden er daarentegen wel toe bijgedragen dat de bevolkingspolitiek
zichzelf in diskrediet had gebracht.</font></p>


<p><font face="Arial">Zowel vrouwen die tegenwoordig bevolkingspolitiek
willen 'feminiseren', als ook diegenen die zo'n hervorming afwijzen,
beroepen zich op historische ervaringen van de vrouwenbeweging.</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Vrouwenbevrijding en 'reproductieve rechten'</i></b><br  />
Anticonceptie, geboortencontrole en sexualiteit behoren sinds meer dan
100 jaar tot de belangrijkste thema's van de vrouwenbeweging. Meerdere
keren hebben zich ook andere bewegingen - bijvoorbeeld
neo-Malthusianen, hervormers op het gebied van sexualiteit of (linkse)
politieke partijen - zich ingezet om de vrouwenonderwerpen op hun
agenda te zetten. Geboortencontrole, abortus en voorbehoedmiddelen
werden in de contekst van de debatten over de 'gevaarlijke'
vermenigvuldiging van de armen en als probate instrumenten voor het
'gezondmaken van het volkslichaam' besproken. Op een dergelijke manier
wordt het fundamentele onderscheid tussen enerzijds een zelfbepaalde
geboortencontrole en anderzijds een door de staat gereguleerde
bevolkingscontrole, steeds weer uitgewist(6).</font></p>


<p><font face="Arial">Aan het einde van de 19e eeuw werden de
Suffragettes politiek aktief in de VS. Dit waren vrouwen die zich
inzetten voor vrije liefde; het waren moraal-refomisten die 'voluntary
motherhood' nastreefden. Met 'vrijwillig moederschap' werd het recht
bedoeld, sex met hun mannen te weigeren en zelf te beslissen hoeveel
kinderen ze wilden. De beweging stelde sexueel geweld aan de kaak en
stond afwijzend tegenover voorbehoedsmiddelen en abortus. Als
alternatief werd permanente of tijdelijke onthouding aangedragen: niet
alleen als middel tegen het niets ontziende sexuele gedrag van mannen,
maar bovendien ook om de veelvuldige abortussen te voorkomen(7).</font></p>


<p><font face="Arial">Begin 20e eeuw ontstond er een
feministisch-socialistische beweging die niet meer uitging van
onthouding, maar van geboortencontrole(8).</font></p>


<p><font face="Arial">Zij eiste 'sexuele vrijheid' zowel in het belang
van vrouwen die door onvrijwillig moederschap onderdrukt werden, als in
het belang van de arbeidersklasse, van wie de strijd tegen het
kapitalisme kon verzwakken door de overgrote families. De protagonistes
zagen zich als een deel van het radikale verzet tegen sociale en
ekonomische uitbuiting. Geboortencontrole beschouwden zij als een
revolutionaire eis en niet als een reformistsich voorstel. Het ging hen
namelijk niet alleen om een beperking van het aantal zwangerschappen,
maar ook om een verandering van de maatschappelijke verhoudingen die
ten grondslag lagen aan de ongewenste zwangerschappen.
Geboortencontrole moest de menselijke ellende verzachten, de sociale en
politieke machtsverhoudingen fundamenteel veranderen en op deze manier
bijdragen "tot meer gelijkheid tussen de sexen en de klassen"(9).
Wanneer zij voorlichtingsbrochures verspreidden, adviesbureau's voor
sexualiteit en geboortecontrole-klinieken opzetten, riskeerden veel
aktivisten, waaronder Emma Goldmann en Margaret Sanger, een arrestatie
en een openlijk conflict met de justitie(10).</font></p>


<p><font face="Arial">De ombuiging van geboortencontrole als radikale
politieke eis richting een middel voor sociale controle door de
overheid, vond plaats in de jaren '40: dat wat in eerste instantie voor
een stap richting politieke emancipatie en zelfbeschikkingsrecht stond,
werd onder het begrip "family-planning" een werkveld voor
wetenschappers, artsen en sociaal geëngageerde vrouwen uit de
middenklasse, die de kinderrijkdom van de armen aan banden wilden
leggen en de vermeerdering van een ongewenste 'overschot'-bevolking
wilden verhinderen. Gezinsplanning diende zo als instrument voor een
politiek gericht op sociale selectie. Organisaties zoals de Planned
Parenthood Federation of America (een bond voor gepland ouderschap)
pleitten voor het stabiliseren en verdedigen van het gezin, ze
propageerden de terugdringing van het kindertal als plicht van vrouwen
- en niet als hun recht - en zij beslisten over wie in aanmerking kwam
voor voorbehoedmiddelen en wie niet. Ongetrouwden werden bij voorbaat
al uitgesloten van voorbehoedmiddelen en sexuele adviezen(11).</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Eisen ten aanzien van zelfbepaalde
sexualiteit en moederschap werden opnieuw centraal gesteld door de
vrouwenbeweging, die in de late jaren 60 ontstond in de contekst van de
burgerrechten- en anti-Vietnamoorlogsbeweging. Feministen
bekritiseerden de repressieve sexuele moraal en het burgerlijke gezin
als dwanginstituut en stelden daarmee centrale maatschappelijke waarden
ter discussie(12). Legalisatie van abortus behoorde tot één van de
doelen van de beweging. De feministische kritiek richtte zich eveneens
op voorbehoedmiddelen die schadelijk zijn voor de gezondheid en
gedwongen sterilisaties. Honderden zelfhulpgroepen en -initiatieven,
lokale klinieken en vrouwen-adviescentra werden opgezet, zoals
gezondheidsprojecten in immigrantenwijken in de grote steden waar
vooral Puertoricaanse, Mexicaanse en zwarte vrouwen leefden. Door
middel van fantasievolle protestakties en rechtzaken brachten
feministen het misbruik van de pil, het spiraaltje en schaamteloze
experimenten met nieuwe anticonceptiemiddelen - bijvoorbeeld
hooggedoseerde pillen in Puerto Rico - in de openbaarheid. Zij klaagden
de fabrikant aan van "Dalkon Shield", een spiraaltje waaraan meerdere
vrouwen gestorven zijn en probeerden het vrijgeven van de
driemaandelijkse prikpil "Depo Provera" tegen te houden(13). De
vrouwengroepen in de VS vatten hun eisen in eerste instantie samen
onder de noemer 'Reproductive Rights' (reproduktieve rechten) - een
begrip dat tot uitdrukking moest brengen dat het hen om complexere
samenhangen ging, dat het om meer ging dan geboortencontrole of
'vrijwillig moederschap'(14). </font></p>


<p><font face="Arial">Uit de akties van de vrouwenbeweging ontstonden
verschillende organisaties, waaronder het Boston Women's Health Book
Collective (een kollektief voor vrouwen-gezondheidsboeken in Boston)
die ook over de landsgrenzen heen bekend werd. In de VS kreeg
vervolgens vooral het National Women's Health Network (een landelijk
vrouwen-gezondheidsnetwerk) bekendheid. Zwarte vrouwen organiseerden
zich in het National Black Women's Health Network (landelijk
gezondheidsnetwerk van zwarte vrouwen).</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>The Population Target</i></b><br  />
Fundamentele verschillen in het feministische engagement tegen
bevolkingspolitiek kwamen naar buiten toen in het midden van de 70er
jaren in Canada het boek 'Population Target' van Ellen Bonnie Mass
verscheen(15). De auteur hield zich bezig met de geschiedenis, de
motieven en legitimatiestrategieën van de VS-bevolkingscontrole in
Latijns Amerika. Daarnaast beschuldigde Bonnie Mass, die zelf meerdere
jaren in een vrouwengroep gewerkt had, de Noordamerikaanse
vrouwengezondheidsbeweging en andere feministen die aktief waren in
maatschappelijke groepen ervan, de oorsprong van de onderdrukking van
vrouwen niet te hebben begrepen; al hun energie werd opgeslokt doordat
zij het fysieke lichaam in het middelpunt zetten van alle discussies,
in plaats van na te denken over de sociaal-ekonomische omstandigheden
waaronder vrouwen kinderen krijgen(16). Campagnes waarin de eisen voor
vrije geboortencontrole en legalisatie van abortus losgemaakt worden
van de politieke contekst, hadden "te vaak diegenen in de kaart
gespeeld, die de onteigenden van deze wereld willen marginaliseren en
verwijderen". Noord-Amerikaanse vrouwen die zich wilden verbinden met
vrouwen in de Derde Wereld moesten zich realiseren dat de controle over
voortplanting en de bijbehorende ideologie, een middel is waarmee "het
imperialisme haar positie verandert om onze zusters in de Derde Wereld
te onderdrukken"(17). De emancipatie van vrouwen was niet mogelijk
zonder socialistische bevrijding.</font></p>


<p><font face="Arial">Met haar boek bracht Bonnie Mass bovendien de
bevolkingspolitieke programma's in Puerto Rico internationaal in de
openbaarheid(c). Op het eiland was tien jaar lang een
sterilisatiecampagne doorgevoerd en werden nieuwe voorbehoedmiddelen op
vrouwen gestest. Verschillende groepen, zoals het Committee to End
Sterilization Abuse (Komitee tegen misbruik van sterilisaties)
protesteerden tegen de drastische toename van sterilisaties van zwarte
en Puertoricaanse vrouwen. Op dat moment was ongeveer één-derde van
alle vrouwen in de vruchtbare leeftijd gesteriliseerd(d).</font></p>


<p><font face="Arial">Hoewel de VS-regering bevolkingscontrole al sinds
het midden van de jaren 60 tot onderdeel gemaakt had van haar
buitenlandse- en ontwikkelingspolitiek, maakten de voorvechtsters van
de vrouwengezondheidsbeweging zich nauwelijks zorgen om het feit dat
hun eis van zelfbepaalde geboortencontrole duidelijk ook voor
machtspolitieke doeleinden misbruikt werd om het aantal armen, in
plaats van de armoede, te verminderen.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Deze kortzichtigheid werd vooral door
zwarte vrouwen sterk bekritiseerd. Zij wierpen de witte feministen voor
de voeten dat zij de levensomstandigheden en de economische misère van
minderheden negeerden. De feministische ideeën ten aanzien van
reproductieve rechten refereerden enkel en alleen aan de ervaringen van
vrouwen uit de witte middelklasse. Gedwongen sterilisatie werd als
middel voor bevolkingscontrole of genocide ingezet tegen zwarte
mensen(18). De zwarte vrouwen radikaliseerden de eis van reproductieve
rechten door het in de politieke contekst van de burgerrechten-beweging
te plaatsen(19). Daar tegenover heeft de (witte)
vrouwengezondheidsbeweging aan het einde van de jaren 60 en in het
begin van de jaren 70, aldus Linda Gordon, het recht op abortus
verdedigd als het recht het individu. Dit kwam ook tot uitdrukking via
de bezits-metaforen in feministische slogans als "ownership of one's
body" (Baas in eigen buik). Uit dergelijke individualistische concepten
spreekt het (valse) beeld dat alle individuen dezelfde waarden en
behoeften zouden hebben(20).</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">In de Duitse vrouwenbeweging vond de
kritiek op de programma's voor bevolkingscontrole in de 'Derde Wereld'
eerst weinig weerklank(21). In 1981 groeide echter de belangstelling,
toen een verpleegster bekend maakte dat Hans Joachim Lindemann,
gyneakoloog en leidinggevend arts van een Hamburgs ziekenhuis,
jarenlang sterilisatie-experimenten uitgevoerd had op in totaal 906
vrouwen, van wie ongeveer 100 niet geïnformeerd waren over de risico's
en het experimentele karakter van de operaties. Lindemann sloot met
zijn experiment aan bij de proef die Carl Clauberg 40 jaar daarvoor had
toegepast op gevangen vrouwen in de concentratiekampen Auschwitz en
Ravensbrück: hij had de eileiders dichtgeplakt met behulp van een
bijtende vloeistof om een methode te ontwikkelen waarmee vrouwen zonder
operatieve ingreep - en zo dus ook zonder hun medeweten - konden worden
gesteriliseerd(22). Een publikatie van Lindemann in een Colombiaanse
uitgave over family-planning, liet vermoeden dat het hem ging om het
vinden van een goedkope en simpel uitvoerbare sterilisatiemethode,
waarmee de bevolkingspolitieke programma's in de "Derde Wereld"
doeltreffender zouden worden(23). </font></p>


<p><font face="Arial">Het strafrechtelijk onderzoek van het Hamburgs
openbaar ministerie naar de experimenten van Lindemann werd lange tijd
gerekt en uiteindelijk stopgezet.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Beïnvloed door de protestakties tegen deze
experimenten, werd in de navolgende periode het thema
'bevolkingspolitiek' door vrouwengroepen opgepakt. Gedurende enige
jaren werd de kritiek op bevolkingspolitiek, en soms ook haar
voorgeschiedenis in de eugenetica en rassenhygiëne(24), het onderwerp
van manifestaties, brochures en diaseries. Het werd een overkoepelend
thema voor zowel vrouwengezondheidscentra, als groepen die zich
inzetten voor de legalisatie van abortus en
Derde-Wereld-solidariteitsgroepen. Het spectrum van hun aktiviteiten
reikte van wetenschappelijk werk vanuit feministische kritiek op gen-
en voortplantingstechnologieën, demonstraties en voorlichtingswerk, tot
militante akties(25).</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Population Control: No - women decide!</i></b><br  />
In juni 1984 vond in Amsterdam het vierde internationale congres
"Vrouwen en Gezondheid" plaats onder het motto "Bevolkingscontrole: Nee
- Vrouwen beslissen zelf!" De 400 deelneemsters, waaronder velen uit
Afrika, Azië en Latijns Amerika, vertegenwoordigden
gezondheidscomité's, zelfhulpcentra, solidariteitsgroepen en
family-planningsorganisaties(26). Het thema van het congres, dat
achteraf gezien kan worden als een inleiding op een internationale
vrouwengezondheidsbeweging, bestond uit verschillende aspecten van
geboortencontrole, anticonceptie en bevolkingspolitiek. De
slotverklaring liet geen twijfel bestaan over waar de vrouwen hun
tegenstander zagen: "De huidige bevolkingspolitiek baseert zich op de
ideologie van het imperialisme, klassentegenstellingen, racisme,
seksisme en heteroseksisme... Bevolkingsingenieurs hebben in de loop
van de tijd een uitgeslepen ideologie ontwikkeld waarin vrouwen de
sleutel zijn voor veranderingen in de geboortestatistieken.
'Vrouwenbevrijding' is de nieuw leus van bevolkingsplanners; ze zetten
zich in voor gezondheidsprogramma's, alfabetisering en
arbeidsbevorderende maatregelen voor vrouwen als een strategie om
vrouwen op subtiele manier te manipuleren". De export van het westerse
model van kleine gezinnen naar de 'Derde wereld' oogste kritiek en de
tegenstelling tussen zelfbeschikking van vrouwen en bevolkingsplanning
door de staat, werd beklemtoond(27). </font></p>


<p><font face="Arial">De resolutie werd verzonden naar de
VN-bevolkingsconferentie, die op datzelfde moment plaatsvond in Mexico
City. Voor het conferentiegebouw aldaar, demonstreerden enkele
honderden vrouwen, mannen en kinderen - velen uit de naburige
krottenwijken - zowel voor het legaliseren van abortus en tegen
gedwongen sterilisaties, als tegen de ekonomisch-politieke voorwaarden
van het Internationaal Monetair Fonds(28). </font></p>


<p><font face="Arial">Het slotdocument van Amsterdam bevatte naast de
kritiek op bevolkingspolitieke controle ook 'positieve' feministische
doelstellingen. "Als feministen", zo formuleerde Loes Keyser het,
"moeten we uitstijgen boven het afwijzen van bevolkingspolitiek. We
moeten vechten voor geboortencontrole. Zelfbepaalde geboortencontrole
is meer dan anticonceptie, het is meer dan een anti-kapitalistisch of
anti-imperialistisch standpunt, omdat het ook gericht is tegen de
overheersing van mannen en tegen de uitbuiting van vrouwen"(29).</font></p>


<p><font face="Arial">Na de bijeenkomst in Amsterdam werden nog in dat
zelfde jaar drie internationale netwerken opgezet, die zich van elkaar
onderscheidden op hun thematische zwaartepunten en politieke profielen:</font></p>


<p><font face="Arial">-&nbsp;&nbsp; Het Woman's Global Network for Reproductive
Rights (WGNRR) is voortgekomen uit de International Contraception,
Abortion and Sterilisation Campaign (ICASC), een groep die het
Amsterdamse congres had voorbereid. Het 'Wereldwijde Netwerk van
Vrouwen voor Reproductieve Rechten' telt momenteel 1700 deelnemers en
een hoofdkantoor in Amsterdam dat ieder kwartaal een nieuwsbrief
uitgeeft. Het WGNRR organiseert regelmatig internationale bijeenkomsten
rond het thema "Vrouwen en Gezondheid" en initieerde vanaf 1988
verschillende campagnes tegen moedersterfte en illegale abortus.</font></p>


<p><font face="Arial">-&nbsp;&nbsp; FINRRAGE - Feminist International Network of
Resistance against Reproductive and Genetic Engineering. Bij het
'Feministisch Netwerk van Verzet tegen Gen- en
Voortplantingstechnologieën' zijn feministen en groepen aangesloten uit
35 landen. Ze bekritiseren de nieuwe voortplantingstechnologieën,
gentechnologie en bevolkingspolitiek; organiseren protestakties en
manifestaties. Sinds 1989 hebben meerdere internationale
werkbijeenkomsten plaatsgevonden, o.a. in Bangladesh en Brazilië.
Verschillende Finrrage-vrouwen hebben door persoonlijke publikaties en
engagement bijgedragen aan het politieke profiel van het netwerk(30).
FINRRAGE behoort tot de weinige groepen die geen gebruik maken van
overheidssubsidies. De meeste vrouwen keuren een inbedding van het
netwerk in institutioneel werk af, hetgeen bijgedragen heeft aan een
reputaie van compromisloosheid en radikaliteit.</font></p>


<p><font face="Arial">-&nbsp;&nbsp; DAWN(e) - Development Alternatives with Women
for a New Era (Ontwikkelingsalternatieven met Vrouwen voor een Nieuwe
Tijd). Het netwerk werd door wetenschapsters en aktivistes uit het
Zuiden opgericht. Hun zwaartepunt ligt op de kritiek op het westerse
ontwikkelingsmodel en de collectieve zoektocht naar rechtvaardige
maatschappelijke- en ekonomische strukturen, die niet gebaseerd zijn op
de uitbuiting van vrouwen. DAWN-vrouwen hebben op het Forum van de
niet-regeringsgebonden-organisaties, dat parallel plaatsvond aan de
VN-vrouwenconferentie in Nairobi 1985, het begrip "empowerment"
geïntroduceerd en stelden daar het concept van een
Derde-Wereld-feminisme, dat de verschillende ervaringen van vrouwen zou
moeten respekteren, ter discussie. Sinds 1990 houden zij zich bezig met
vragen rondom bevolkingsontwikkeling en -politiek. De vrouwen hebben
als uitgangspunt, op meerdere niveau's te ageren en "de macht daar uit
te oefenen, waar ze ligt" - bijvoorbeeld op VN- en
regeringsbijeenkomsten(31).</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Feministen in bevolkingspolitieke instituten</i></b><br  />
De discussies en eisen van de vrouwengezondheidsbeweging werkten ook
door tot in de bevolkingspolitieke instituten van de staat, evenals in
de lobbyorganisaties. Daar hadden, sinds de onbeschaamde
anticommunistische propaganda-campagnes van de vroege jaren 60,
vergaande veranderingen plaatsgevonden, waardoor een open houding voor
feministische ideeën bevorderd werd. De Ford Foundation had al in 1972
een aparte groep opgezet over de positie van vrouwen en tevens een
onderzoeksproject over de rol van vrouwen in de maatschappij. Het
bestuur van de stichting richtte een "Women Program Group" op, waarin
ook politiek aktieve feministen werkten. Het gehele personeel van de
stichting werd tijdens seminaria geschoold en gevoelig gemaakt voor
thema's als diskriminatie van vrouwen. En bij instellingen moesten
vrouwen voorrang krijgen en betere carrièremogelijkheden geboden
worden(32). Bij de Rockefeller Foundation was in 1973, met de benoeming
van Joan Dunlop, een feminist de persoonlijke assistent van Rockefeller
geworden op het gebied van bevolkingsvragen. Dunlop moest uitvinden
waarom - ondanks alle campagnes, programma's en propaganda - het
verwachte demografische resultaat al lange tijd uitbleef(33). Dunlops
inschatting van het family-planningsdilemma was: "Wanneer tradities,
gebruiken of een religie een situatie creëren, waarin vrouwen alleen
maar succesvol kunnen zijn wanneer zij kinderen krijgen, zullen zij
kinderen blijven krijgen en zal de bevolking blijven groeien"(34).
Samen met Adrienne Germain(35) en anderen, werkte Joan Dunlop aan het
manuscript van Rockefellers toespraak op de Wereldbevolkingsconferentie
in Bukarest. Anders was hij één van de meest fanatiekste mensen van het
bevolkingsestablishment, nu trad hij op als een bedachtzame man, ervan
overtuigd dat er voor vrouwen in de toekomst grotere keuzemogelijkheden
gecreerd moesten worden, zodat zij hun maatschappelijke rol zelf zouden
kunnen bepalen(36).</font></p>


<p><font face="Arial">Vele jaren was hij van de noodzaak en urgentie
van gezinsplanning overtuigd geweest, aldus Rockefeller. Nu is
uitgekomen dat alleen dat niet voldoende is. Daarom zou hij naar
Bukarest gekomen zijn met de oproep tot een fundamentele herwaarding
van al datgene dat tot dan toe aan bevolkingspolitieke zaken ondernomen
was.</font></p>


<p><font face="Arial">"Ik geloof", zei Rockefeller, "dat de
industrielanden ernaar moeten streven de moderne ontwikkeling te
doorgronden en waar mogelijk te helpen, maar dat zij ook moeten
erkennen dat ieder land haar ontwikkelings- en vruchtbaarheidsproblemen
op haar eigen manier moet oplossen; ik geloof dat vrouwen moeten
beschikken over grotere keuzemogelijkheden, om hun rol in de
maatschappij te bepalen"(37).&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Rockefellers belangstelling voor Dunlops
ideeën in zake "Vrouwen en Ontwikkeling" choqueerde veel van zijn
toehoorders, vooral de oudere leidinggevenden van de Population
Council, evenals het officiële hoofd van de VS-delegatie Caspar
Weinberger.</font></p>


<p><font face="Arial">Maar in Bukarest liet de heftige kritiek van de
vertegenwoordigers uit het Zuiden op de imperialistische doelstelling
van bevolkingspolitiek, zien dat Dunlop het teken des tijds juist had
ingeschat. Rockefellers toespraak leidde een verandering van strategie
in en veranderde de terminologie waarmee in de toekomst over
bevolkingspolitiek gedebatteerd zou worden. Toch bleven veel feministen
sceptisch. Loes Keyser: "Dit establishment staat open voor kritiek op
haar strategie, maar niet voor kritiek op haar anti-natalisme"(38).</font></p>


<p><font face="Arial">De 10 jaren na de Wereldbevolkingsconferentie in
Bukarest werden door de VN uitgeroepen tot het "Decennium van de
Vrouw". In 1975 had in Mexico City eerst al de VN-Vrouwenconferentie
plaatsgevonden. In het daar aanvaarde&nbsp; aktieplan werd geëist dat
vrouwen geïntegreerd zouden worden in het ontwikkelingsproces. De
Population Council stuurde een waarneemster met de opdracht de
betekenis van de conferentie voor het instituut te beoordelen. De
afgevaardigde kwam terug met de boodschap dat de Council de
feministische trein had gemist. De organisatie zou door mannen
gedomineerd worden en richtte haar aandacht te eenzijdig op
demografische studies en een mechanisch verklaringsmodel voor sociale
problemen. Ook trad zij met reactionaire standpunten t.a.v. over
abortus naar buiten. De Population Council moest de rol van vrouwen in
het middelpunt van onderzoekswerk plaatsen en vrouwen uit
ontwikkelingslanden dat onderzoekswerk laten uitvoeren om het ontstaan
van anti-Amerikaanse gevoelens te voorkomen(39).</font></p>


<p><font face="Arial">De trend om vrouwen te herwaarderen werd ook
zichtbaar in de ontwikkelingspolitiek. Volgens een VN-verklaring van
1961 hadden de 60er jaren eigenlijk het "Decennium van Ontwikkeling"
moeten zijn. De kern van dit decennium - de Groene Revolutie - was
aangekondigd als een moderniserings-push waarmee armoede en
ondervoeding verminderd zou worden. Het resultaat benaderde eerder het
tegendeel dan het zogenaamde doel: de invoering van kapitaalintensieve
landbouw in de vorm van monoculturen, waarbij men geproduceerde voor de
wereldmarkt, vernietigde in veel landen de bestaanszekerheid van kleine
boeren. Dit veroorzaakte migratie van het platteland naar de grote
steden. Ondanks de hogere landbouwopbrengsten nam het aantal mensen met
honger wereldwijd toe - waarbij meestal juist uit de gebieden waar
mensen verhongerden, voedsel geëxporteerd werd(40). Bonnie Mass
schrijft in dit verband dat in 1974 het regulering van een
'natuurlijke' (honger)dood geformuleerd werd als wetenschappelijke
optie voor bevolkingspolitiek in arme landen(41). De noodzaak van een
snelle agrarische productiegroei was in het begin van het
Ontwikkelings-decennium o.a. verdedigd met het argument van de
bevolkingsgroei(42). De gevolgen van deze politiek van
ontwikkelingssamenwerking - zowel het gebrek aan voedsel, als ook de
groei van de krottenwijken in Aziatische en Latijns-Amerikaanse steden
door migratie van het platteland - werden opnieuw toegedicht aan de
'bevolkingsexplosie'. </font></p>


<p><font face="Arial">Het idee van de Groene Revolutie was ontstaan in
een landbouw-economisch onderzoeksprogramma van de Rockefeller
Foundation, die dit in 1943 samen met de Mexikaanse regering heeft
doorgevoerd(43). De stichting droeg op deze manier in zekere zin bij
aan het produceren van de 'overbevolking' die zij vervolgens
bestrijdde. De mensen die naar de stad trokken waren in de regel
genoodzaakt om, hetzij in de informele sector hun inkomen te verdienen,
hetzij in één van de wereldmarktfabrieken die sinds halverwege de jaren
60 in de zogenaamde ontwikkelingslanden gevestigd waren. In deze
fabrieken werkten bijna uitsluitend jonge vrouwen en meisjes voor
extreem lage lonen en onder harde arbeidsomstandigheden(44).</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">In het begin van de jaren 70,
thematiseerden ontwikkelingstheoretici de betekenis van vrouwelijke
arbeid in de landbouw, in de detail handel en in het ambachtswerk.
Vrouwen werden in de politiek van&nbsp; ontwikkelingssamenwerking alleen
gezien als moeders en huisvrouwen; hun productieve funkties in de
subsistentie-arbeid en in de (loon)arbeid voor de markt bleven
onzichtbaar. Bij het opzetten van projecten en het verstrekken van
credieten werd alleen rekening gehouden met mannen.
Ontwikkelingsprogramma's, aldus de econome Ester Boserup in een in 1970
gepubliceerde een veel geciteerde empirische studie(45), hadden een
negatieve invloed op de status van vrouwen in de samenlevingen van de
'Derde Wereld'. Indirect, zo werd het o.a. door Joan Dunlop
geformuleerd, werd de traditionele rol van vrouwen bevestigd door de
geringe waardering voor hun werk en zo werd hun kinderrijkdom
gestimuleerd. Opleidingsprogramma's voor vrouwen en credieten voor het
verwerven van een inkomen moesten uitkomst bieden. "Investment in
Women" (investeren in vrouwen) luidde het nieuwe motto van de
ontwikkelingspolitiek. Hiermee hoopten feministen, die in de
ontwikkelings- en bevolkingspolitieke organen werkten, op een sterkere
economische onafhankelijkheid van vrouwen (en velen hoopten ook op een
daling van de geboortencijfers als gevolg van onafhankelijkheid).
Family-planningsprogramma's creerden in dit opzicht de voorwaarden om
vrouwen in sterkere mate in te zetten in de economie buitenshuis om te
produceren voor de internationale markt(f). </font></p>


<p><font face="Arial">In de VS werden in de navolgende jaren, in alle
bevolkingspolitieke instituten feministische afdelingen "Women and
Development" opgericht; en ook de Wereldbank sloot zich bij deze trend&nbsp;
aan. De economische onafhankelijkheid van vrouwen was ook voor hen in
alle gevallen een bijkomend verschijnsel: in het middelpunt stond de
'ontsluiting' van het (volgens de Wereldbank nog altijd onvoldoende
benutte) potentieel aan vrouwelijk arbeidskracht(46). De 'investering
in vrouwen' kan ook beoordeeld worden als een manier om de informele
sector aan de 'formele' economie van de wereldmarkt te binden. Over het
algemeen betekent "bestaanszekerheid" voor vrouwen in ieder geval niet
meer inkomen, maar vooral meer werk. Een inkomen komt alleen via
extreme zelf-uitbuiting tot stand en moet dikwijls ook nog gebruikt
worden om het loonverlies van de mannen, die werkloos zijn geworden of
die hun gezin verlaten hebben op zoek naar werk, te compenseren(47). De
kloof tussen arm en rijk, zo schrijft Gertrud Ochser, heeft zich tussen
1960 en 1991 meer dan verdubbeld. Het grootste deel van de lasten die
veroorzaakt zijn door deze ontwikkeling, dragen de vrouwen.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial"><b><i>De Dialoog als Strategie<br  />
Een verbond tegen de anti-abortusbeweging</i></b><br  />
In 1980 richtte ook de Population Council, één van de oudste
bevolkingspolitieke lobby-organisaties, een vrouwenorganisatie op. Dit
werd de International Women's Health Coalition (IWHC) en deze moest
abortus mogelijk maken voor vrouwen die dat wensten. De
organisatorische zelfstandigheid van de IWHC had voor de Population
Council het voordeel dat de aktiviteiten op het gebied van
zwangerschapsafbreking verborgen kon blijven voor de donateurs,
waaronder zich ook veel abortustegenstanders bevonden (48). In 1984
werd Joan Dunlop gekozen als presidente van de destijds nog onbekende
Women's Health Coalition. Onder haar leiding heeft het IWHC zich
ontwikkeld tot een invloedrijke organisatie, die o.a. projecten in het
Zuiden financiert en technische ondersteuning voor het gebruik van
abortusapparatuur aanbiedt(49). Daarnaast heeft het IWHC vaste voet aan
de grond gekregen als een soort van bemiddelaar tussen de
vrouwenbeweging en de bevolkingspolitieke organisaties(50). Het gaat
Dunlop om het wekken van belangstelling voor vrouwenvraagstukken bij de
grote instituten als het AID en de WHO om te werken aan de "werkelijke
belangen van vrouwen". Al in 1985 had het IWHC samen met de Population
Council het initiatief genomen tot een dialoog tussen onderzoek(st)ers
en feministen. Eén van de deelneemsters uitte haar overtuiging dat de
betreffende organisaties er niet omheen konden, de behoeften en
belangen van vrouwen serieus te nemen, zelfs wanneer ze dit alleen maar
zouden doen "omdat het de meest zekere weg is om de demografische
doelstellingen te bereiken"(51).</font></p>


<p><font face="Arial">In de volgende jaren kwamen steeds vaker
gezamenlijke bijeenkomsten en publikaties tot stand van aktivistes van
de vrouwengezondheidsbeweging in samenwerking met reformistische
medewerksters van bevolkingspolitieke instituten. Indirect kan aan
beide zijden ook het veranderde politieke klimaat onder de regering
Reagan bijgedragen hebben aan deze toenadering. De feministen werden in
de VS namelijk geconfronteerd met de groeiende en agressiever wordende
Pro-Life beweging, een beweging van zogenaamde levensbeschermers die
militant optraden tegen vrouwen die abortus wilden doen, klinieken en
artsen. De Population Council had op haar beurt in toenemende mate te
maken met "de overtuiging in eigen gelederen, dat er in de
bevolkingspolitiek meer dwangmiddelen gebruikt moesten worden"(52). </font></p>


<p><font face="Arial">Uit het in eerste instantie pragmatische begin,
ontwikkelde zich een strategische coalitie, die de inhoud van de
feministische beweging heeft benvloed. Enkele van de grootste
vrouwenorganisaties, zoals NOW (National Organisation for Women)
weigerden bijvoorbeeld aktie tegen gedwongen sterilisaties te
ondersteunen, omdat zij hun alliantie met het medische en
bevolkingspolitieke establishment niet in gevaar wilden
brengen(53).&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; </font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Wie praat voor wie?</i></b><br  />
Tijdens internationale congressen ontmoeten vrouwen uit verschillende
landen, culturen, klassen en uit zeer verschillende groepen elkaar. Aan
de discussies over feministisch onderzoek naar anticonceptie, abortus
en "reproductieve gezondheid" neemt zowel de leidster van een vrouwen-
of family-planningsorganisatie deel, als de free-lance adviseuze van de
Wereldbank of een vrijwilligster van een feministisch
gezondheidsproject. Zoals op bijna alle terreinen waar de
niet-regeringsgebonden organisaties aktief zijn, heeft ook in de
vrouwengezondheidsbeweging een professionalisering plaatsgevonden.
Groepen of netwerken die zonder overheidsgeld werken zijn uitzondering
geworden. De professionalisering heeft van vrijwilligerswerk en
onbetaalde arbeid beroepen gemaakt en heeft daarmee bijgedragen aan de
maatschappelijke erkenning van het werk van vrouwen, die tot dan toe
alleen betaald werden voor het instandhouden van de dienstverlening in
de gezondheidszorg.</font></p>


<p><font face="Arial">Maar geld en professionalisering hebben niet in
de laatste plaats ook de band met de bevolkingspolitieke instituten
versterkt. Want deze instituten nemen niet alleen deel aan de
financiering van congressen, maar sponsoren ook het uitgeven van
tijdschriften en boeken, of betalen voor aktivistes - vooral die uit
het Zuiden - een beurs voor een studie in het buitenland(54). In de
grote instituten nemen feministen als professionele "women's advocats",
als "pleitbezorgers van vrouwen", deel aan bevolkingspolitieke
planning. Zij pleiten voor een - voor hen - nieuw politiek parket, met
internationale conferenties, meetings en symposia, waar lobbywerk,
subsidiestromen, politieke overtuigingen en praktische politiek zich
mengen. Kortom, het zijn niet meer alleen de mannen die de plannen
bedenken die vervolgens toegepast worden op vrouwen, en ook niet meer
alleen deskundigen uit het Noorden om plannen toe te passen op het
Zuiden. En de integratie van vrouwen (en hierbij gaat het alleen om
vrouwen uit de feministische beweging in de industrielanden of in de
grote steden van Azië, Afrika of Latijns Amerika) heeft niets veranderd
aan het feit dat de doelgroepen van de bevolkings- en
gezondheidspolitieke campagnes geen stem hebben, namelijk
plattelandsvrouwen uit India of Bangladesh, arme vrouwen uit Colombia
of Kenia. Er wordt over hen onderhandeld.</font></p>


<p><font face="Arial">De trend van professionalisering bracht zo nu en
dan ook verbitterde discussies teweeg. Zo ontlaadde op de 6e
internationale bijeenkomst "Vrouwen en Gezondheid", die in Manila
plaatsvond, de spanning tussen 'basis-feministen' en 'professionele
feministen' zich als een flinke onweer. De aanwezige medewerksters van
bevolkingspolitieke instituten(55) eisten van de 'basisvrouwen' dat zij
hun werk in de instituten ondersteunden.&nbsp; Dit leidde tot harde
uiteenzettingen over radikaliteit, depolitisering en inkapseling. "Kern
van de zaak is", aldus één van de deelneemsters, "dat enkelen van ons
het bastion van de macht zijn binnengegaan. Zijn zij gecorrumpeerd?
Zijn zij naïef, gehoorzaam? Of anders gezegd: is het werken met
basisbewegingen de enige acceptabele feministische weg?"(56).</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Feministische bevolkingspolitiek?</i></b><br  />
Naast deze controverse over basisarbeid of institutionele inbinding
ontwikkelden zich de laatste jaren verschillende opvattingen binnen de
vrouwengezondheidsbeweging. Aan de ene kant betreffende de vraag of de
demografische groei nou een probleem voorstelde of niet. Aan de andere
kant de vraag wat er bedoeld zou moeten worden met het begrip
"reproductieve rechten", dat gebruikt wordt als een soort
verzamelbegrip voor feministische eisen omtrend het thema bevolking,
vrouwengezondheid en anticonceptie en daardoor steeds breder wordt.</font></p>


<p><font face="Arial">In feite gaat het bij het opeisen van 'reproductieve rechten' om:<br  />

-&nbsp;&nbsp; de vrijheid te beslissen over het aantal kinderen en het tijdstip van hun geboorte,<br  />

-&nbsp;&nbsp; de toegang tot voorbehoedmiddelen en informatie daarover,<br  />-&nbsp;&nbsp;
het recht over het eigen lichaam te beschikken. Dit impliceert ook
bescherming tegen ongewilde lichamelijke ingrepen(57).&nbsp; </font></p>


<p><font face="Arial">Sociologe Ruth Dixon-Mueller plaatst de
"reproductieve rechten" in de contekst van de mensenrechten en stelt
dat de inhoud van deze mensenrechten ook het respect voor de
"reproductieve rechten" van vrouwen moet bevatten. De verdere eisen met
betrekking tot gezondheid, scholing, sociale en materiële zekerheid
voor vrouwen, die zij hieruit afleidt, zijn in geen enkel land ter
wereld volledig verwezenlijkt. Ze moeten leiden naar de afschaffing van
iedere vorm van diskriminatie van vrouwen en uiteindelijk ook naar die
van het patriarchaat.</font></p>


<p><font face="Arial">Op bepaalde punten verschilt echter de invulling
van het begrip aanzienlijk. Terwijl de één er een aanknopingpunt in
ziet voor een algemene kritiek op het patriarchaat, valt voor de ander
alleen het recht op de vrije keuze van voorbehoedsmiddelen er onder.
Over het algemeen worden directe en indirecte dwangmaatregelen net zo
afgewezen als planmatige demografische doelstellingen. Zowel het recht
op scholing en gezondheidsrzorg voor vrouwen, maatregelen tegen moeder-
en babysterfte, als uitgebreide informatie over sexualiteit,
anticonceptie en geboorte, zijn doelen op zich. Het zijn geen middelen
om geboortencijfers te laten dalen - ook hierover bestaat een brede
consensus. Family-planningsprogramma's, waarin vrouwen alleen voorkomen
als "degenen die de voorbehoedmiddelen gebruiken" zonder dat ingegaan
wordt op hun belangen en levensomstandigheden, worden door vrijwel alle
feministische organisaties evenzo bekritiseerd als het feit dat vrouwen
praktisch geen invloed hebben op de ontwikkeling van nieuwe
voorbehoedsmiddelen en dat deze middelen vooral op vrouwen in het
Zuiden getest worden. De vrouwen van het Women's Global Network
beklemtonen daarbij, dat heel duidelijk onderscheid gemaakt moet worden
tussen "reproductieve rechten" en bevolkingspolitiek. De tegenstelling
in doelbepaling mag "niet vervagen, maar moet - in tegendeel -
benadrukt worden"(58). </font></p>


<p><font face="Arial">Tijdens de discussie over "reproductieve rechten"
in talrijke publicaties en op conferenties, werd er in de
vrouwengezondheidsbeweging nauwelijks gesproken over de vraag of er een
'bevolkingsprobleem' is en zo ja, waaruit die dan bestaat. Net als
eerder zien enkele aktivistes het overbevolkingsdogma weliswaar als een
manier om maatregelen voor bevolkingscontrole te legitimeren; velen
gaan er echter impliciet van uit, dat de demografische ontwikkeling 'op
de een of andere manier' een probleem is(59). In de regel vermijden
feministen te spreken over 'overbevolking', maar gebruiken
ongereflekteerde woorden als "bevolkingsdruk" of spreken van een "te
snelle" of "razendsnelle" bevolkingsgroei. Dikwijls wordt de fixatie
van de politiek op demografische doelen bekritiseerd - waarna opgemerkt
wordt dat hiermee absoluut niet bedoeld wordt "dat demografische
doelstellingen genegeerd kunnen worden. Dat zou zeer onrealistisch
zijn" omdat "er een zekere verhouding zou bestaan tussen
bevolkingsgroei, ruimtelijke verdeling en milieu"(60).</font></p>


<p><font face="Arial">In juni 1990 greep Marge Berer, die vele jaren
medewerkster was van het Women's Global Network for Reproductive
Rights'(61), deze onverschilligheid aan als aanleiding om de
vrouwengezondheidsbeweging te verzoeken na te denken over hun
afwijzende houding tegenover bevolkingsplanning door de staat. Lange
tijd hadden de feministen de vraag of er een "bevolkingsprobleem" zou
bestaan, als taboe behandeld. Nu de geboorten- en sterftecijfers uit
balans geraakt waren, aldus Berer, moest de vrouwenbeweging&nbsp; zich
inzetten omdat "de wereld niet een onbegrensd aantal mensen kan dragen,
zoals het lichaam van een vrouw niet een onbegrensd aantal
zwangerschappen kan uithouden". Feministen moesten zich net als
voorheen inzetten tegen alle diskriminerende en de vrouwenrechten
aantastende bevolkingsprogramma's teweer stellen, maar zij hadden ook
de verantwoordelijkheid te definiëren wat goede en wat foute
bevolkingspolitiek zou zijn. Van goede bevolkingspolitiek had Berer een
heldere voorstelling: "Ik geloof dat het concept van reproductieve
rechten de basis van bevolkingspolitiek kan en moet worden. (...) Ik
ben ervan overtuigd dat er geen bevolkingsprobleem zou zijn, wanneer
vrouwen werkelijk 'een keuze' zouden hebben"(62).</font></p>


<p><font face="Arial">Haar voordracht veroorzaakte een storm van
verontwaardiging, vooral onder de aktivistes uit de Derde Wereld. Een
feministische bevolkingspolitiek, rebelleerde Farida Akhter uit
Bangladesh, kon alleen gezien worden als een poging feministen in te
kapselen: de politiek van bevolkingscontrole is een politiek van
onderdrukking, die principieel in tegenspraak staat met feministische
eisen en die er niet beter door wordt wanneer ze door vrouwen
vormgegeven wordt(63). Farida Akhter bekritiseerde daarnaast ook het
concept van "reproductieve rechten". Ze werpt de westerse
vrouwengezondheidsbeweging voor de voeten, een patriarchaal gesprek te
voeren, waarin vrouwen gereduceerd worden tot de rol van baarsters en
waarin de reproductie alleen als een individuele aangelegenheid gezien
wordt en niet als uitdrukking van sociale verhoudingen. Het idee van
Berer, dat ontstaan was vanuit het engagement van de westerse
middenklasse vrouwen, kon niet overgedragen worden op de
levensomstandigheden van vrouwen in het Zuiden. "In een neo-koloniale
samenleving als Bangladesh is de strijd voor vrouwenemancipatie
vervlochten met de strijd tegen de hegemonie van de wereldmachten en
wereldmarkten, tegen racisme, militarisme, tegen het kapitalistische
patriarchaat"(64).</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Feministische posities op de Wereldbevolkingsconferentie</i></b><br  />
De verschillende posities van de vrouwengezondheidsbeweging vonden hun
neerslag in verschillende resoluties, die tijdens de voorbereiding op
de Wereldbevolkingsconferentie van 1994 gepubliceerd werden.</font></p>


<p><font face="Arial">Farida Akhter behoorde tot de initiatiefneemsters
van een internationaal symposium dat in 1993 plaatsvond in Bangladesh.
Daar discussieerden vrouwen uit 23 verschillende landen over "People's
Perspective on Population". Met het zicht op Caïro bekritiseerden zij
het demografische reductionisme: men moest praten over concrete mensen,
niet over abstracte 'bevolking' - "People, not population". In de
slotverklaring van het symposium formuleerden de deelneemsters: "De
behoeften van vrouwen aan voedsel, scholing, gezondheid en deelname aan
zowel een sociaal en politiek leven, als aan een leven vrij van
onderdrukking en geweld, hebben niets te maken met
bevolkingspolitiek.(...) Er bestaat geen feministische
bevolkingspolitiek, want dat zou alle basisprincipes van
vrouwenbevrijding tegenspreken en haar beginselen vernietigen"(65).</font></p>


<p><font face="Arial">In de VS riep het Committe on Woman, Population,
and the Environment (Comité voor vrouwen, bevolking en milieu) op tot
het zoeken naar nieuwe aanknopingspunten voor een oplossing voor de
wereldcrisis. In haar "Call for a new approach" weersprak het de
stelling dat bevolkingsgroei hoofdzakelijk de veroorzaker zou zijn van
milieuvernietiging en dat bevolkingspolitiek het meest geschikte
geneesmiddel zou zijn. Het comité eiste o.a. een wereldwijde
demilitarisering, een herverdeling van natuurlijke hulpbronnen en
welvaart(66).</font></p>


<p><font face="Arial">Veel meer publiciteit dan deze twee initiatieven,
kreeg de verklaring van "Women's Voices 94". Deze verklaring over
bevolkingspolitiek was ontworpen door een alliantie van vrouwen uit het
Zuiden en Noorden, onder coördinatie van de International Women's
Health Coalition(g).</font></p>


<p><font face="Arial">De alliantie pleitte ervoor regeringen en
internationale agentschappen d.m.v. intensief lobbywerk te beïnvloeden,
om de reproductieve rechten van vrouwen op de
Wereldbevolkingsconferentie centraal te stellen. De feministen moesten
hun tot dan toe defensieve en afwijzende houding overwinnen en
constructief meewerken aan een concept voor bevolkingspolitiek. Pas dan
konden vrouwen voor het eerst "hun eigen visie op wat er gedaan moet
worden ter stabilisering van de bevolkingsgroei" inbrengen(67).</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Het concept van de "Women's Voice" stelde
een verveelvoudiging van de uitgaven aan bevolkingspolitiek voor. 20%
van het geld zou aan de vrouwengezondheidsbeweging en de groepen die
zich inzetten voor "reproductieve rechten" moeten worden gegeven.
Daarnaast moest 50% van de leidinggevende functies in alle relevante
agentschappen, bekleedt worden door vrouwen. In de teksten en uitingen
van diegenen die de verklaring hebben ondertekend, valt een stemming te
bespeuren die duidt op een rotsvast vertrouwen dat het zou lukken de
bevolkingspolitieke instituten op een feministische koers te zetten. De
verklaring werd ook ondertekend door vrouwen en groepen die
bevolkingspolitiek afwijzen. Enkele initiatiefneemsters schijnen er van
uit te gaan dat de feministische interventie een radikale ommezwaai zal
inluiden(68). Of, zoals Joan Dunlop het in de New York Times van 6
september 1994 verwoordde, dat het de "meest diepgaande sociale
revolutie van onze tijd" zou betekenen(69). </font></p>


<p><font face="Arial">Dunlop ziet het als "dè uitdaging van de jaren
90" om de bevolkingsgroei te stabiliseren. Bovendien zou vooral ook de
"consumptie van de rijke mensen en landen" gereduceerd moeten
worden(70). Het standpunt dat bevolkingspolitiek afwijst, houdt zij
voor "niet realistisch" en zij vervolgt: "Ik geloof dat deze
bevolkingspolitiek zal doorgaan. De geldstromen zullen toenemen. Voor
vrouwen zou het een gemiste kans zijn, wanneer zij niet willen
meepraten over hoe dit geld uitgegeven wordt en welke programma's er
ontwikkeld worden"(71).</font></p>


<p><font face="Arial">Ook Adrienne Germain, naast Joan Dunlop
vicepresident in de IWHC, ziet goede kansen om invloed op de
bevolkingspolitieke planning uit te oefenen&nbsp; en "toegang tot de
financieringsbronnen" (vooral die van de buitenlandse hulp van de VS)
te verkrijgen(72). Haar staat een brede coalitie voor ogen, bestaande
uit mensen die zich professioneel bezighouden met ontwikkeling,
vrouwengezondheid, mensenrechten en bevolking.</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Caïro: een nieuwe consensus?</i></b><br  />
Tijdens het verloop van de Wereldbevolkingsconferentie kreeg het
optimisme van de vrouwen een teleurstelling te verwerken. Het waren
niet meer de feministische standpunten - van welke feministische
stroming dan ook - die in het middelpunt van de discussies en de
mediaberichtgeving stonden, maar de oppositie van het Vatikaan tegen
abortus en voorbehoedmiddelen. "Zodra een afgevaardigde van het
Vatikaan een slipje van zijn rok liet zien in het perscentrum, hingen
trossen nieuwsgierige journalisten om hem heen. Op deze manier was het
voor de Heilige Stoel niet moeilijk, hun standpunten op de voorpagina's
van de kranten te krijgen", aldus een getuige(73).</font></p>


<p><font face="Arial">Over "ontwikkeling" werd op de conferentie
nauwelijks gesproken. En wanneer het toch even ter sprake kwam, werd
niet de globalisering van de wereldmarkt, de schuldenkrisis en het GATT
gethematiseerd, maar werd alleen gesproken over ontwikkeling van
menselijke bronnen, d.w.z. over de ontplooiing van menselijke
vaardigheden en mogelijkheden(74). </font></p>


<p><font face="Arial">Vrouwen uit het Zuiden, zoals Evelyn Hong van het
Third World Network Malaysia, hebben geprobeerd duidelijk te maken dat
vrouwen in hun landen dringender problemen hebben dan het doorvoeren
van de reproductieve rechten; de strukturele aanpassingsprogramma's van
het IMF en de schuldenkrisis zouden veel meer aan de orde moeten
komen(75). Toch kregen dergelijke bezwaren weinig aandacht. Ook de
verschillende bijeenkomsten waarin de samenhang tussen het schenden van
de mensenrechten en bevolkingspolitiek getoond werd, gingen ten onder
in de conferentiebusiness.</font></p>


<p><font face="Arial">De mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de
mammoetconferentie en om daarnaast je standpunten in de openbaarheid te
krijgen, was met name afhankelijk van kennis over presentatie en het
mediacircus. Wat dit betreft waren de VS leidinggevend(76).
Vanzelfsprekend stonden de feministen uit de VS op de voorgrond,
hetgeen de wrevel over het verloop van de conferentie, van met name
vrouwen uit Aziatische NGO's nog eens versterkte. </font></p>


<p><font face="Arial">De verdedigsters van "reproductieve rechten"
konden zichzelf in ieder geval op de borst kloppen vanwege het feit dat
het in Caïro aangenomen slotdocument centrale begrippen en eisen vanuit
de feministische discussie bevat. Het "empowerment" van vrouwen, de
eisen t.a.v. "reproductieve gezondheid" en de afwijzing van
bevolkingspolitieke dwangmaatregelen, waren nu met internationale
consensus op papier gezet. Maar de vraag blijft of dit meer betekent
dan mooie woorden. "Wie op het spreekgestoelte zat of een persmicrofoon
voorgehouden werd, sprak in de eerste plaats over meer scholing voor
vrouwen en een verbetering van de status van vrouwen. Ook "empowerment"
(...) of "gender equality"(gelijkheid tussen de geslachten) behoorden
tot het standaard vocabulair van de statements en circulaires. Deze
termen werden bijna altijd gekoppeld aan "development". "Pro-poor,
pro-democracy, pro-women, pro-nature, pro-development" zou de nieuwe
slogan van ontwikkeling zijn(77).</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Voor veel regeringsafgevaardigden uit het
Zuiden verschool - nauwelijks verhuld - achter de instemming met
family-planning en eisen van de vrouwenbeweging, de hoop dat hun
meegaandheid met de holle woorden van het aktieplan, gehonoreerd zou
worden met materiële giften in de vorm van 'ontwikkelingshulp'(78).
Anders dan bij de voorgaande Wereldbevolkingsconferentie (in het
bijzonder die in Bukarest) was er in Caïro nauwelijks sprake van een
Noord-Zuid confrontatie. Kritiek op de economische wereldorde en de
structurele aanpassingsprogramma's van de Wereldbank werden het
duidelijkst geuit door enkele NGO's uit het Zuiden. Afgevaardigden van
regeringen uit de Derde Wereld meldden daarentegen alleen afzonderlijk
van elkaar een voorzichtige twijfel over het standpunt dat armoede en
verval het gevolg zou zijn van 'overbevolking' en middels
family-planning opgelost zou kunnen worden(79). </font></p>


<p><font face="Arial">Op de vraag naar de reden voor deze terughoudende
kritiek van de gedelegeerden uit het Zuiden, antwoordde de
gezondheidsaktiviste Mira Shiva uit India kort en krachtig: "Omdat de
financiële nood hen de handen bindt en de mond snoert - dat is het
onderscheid met de conferenties in Bukarest en Mexico"(80).&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">In Caïro, zo zegt ook Betsy Hartmann, was
een bevolkingspolitieke konsensus gecreëerd waarbij gebruik gemaakt is
van de taal van (kritische) feministen. In feite hebben er geen
werkelijke veranderingen plaatsgevonden, want in het slotdocument van
de conferentie werd de bevolkingsgroei nog altijd benoemd als
belangrijke, zo niet hoofdoorzaak van armoede, onderontwikkeling en
milieuvervuiling. Omdat family-planningsprogramma's op vrijwillige
basis toch beter werken dan krampachtige demografische doelen, werd nu
juist precies op deze manier het geheel van bevolkingspolitiek
overgoten met scheutje reproductieve gezondheidszorg, aldus
Hartmann(81).</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Hiermee wordt uiteindelijk de hele
problematiek rondom het opeisen van "reproductieve rechten" en
"reproductieve gezondheid" duidelijk. Terwijl het begrip enerzijds - na
lang touwtrekken getolereerd door het Vatikaan - synoniem is geworden
voor family-planningscampagnes oude stijl, moet het anderzijds ook de
kritiek daarop tot uitdrukking brengen: de afwijzing van maatregelen
die geïsoleerd gericht zijn op de afname van de geboortencijfers,
zonder te kijken naar de sociale situatie en de levensomstandigheden
van vrouwen. Dergelijke begrippen, die tegelijkertijd ook het tegendeel
betekenen, zijn een voorwaarde voor het - al op theoretisch nivo -
laten verdwijnen van kritiek.</font></p>


<p><font face="Arial">Christa Wichterich ziet dan ook het
bevolkings-establishment als de "verborgen overwinnaars van Caïro". Met
het concept van "reproductieve rechten" heeft de vrouwenlobby de
bevolkingspolitiek een "fantastische facelift en legitimatie gegeven.
Of anders geformuleerd: ze bevrijdde de bevolkingspolitici van alle
druk om zich te rechtvaardigen. Op deze manier creëerden zij de
internationale consensus over het concept van bevolkingspolitiek,
waarvan de bevolkingspolitieke ingenieuren altijd gedroomd hebben.
Fundamentele kritiek op dit concept (...) ging ten onder in het koor
der apologeten(82)".</font></p>


<p><font face="Arial">Alhoewel het misschien voor veel vrouwen
belangrijk is dat zij de regering van hun land op z'n minst nog eens
kunnen herinneren aan de instemming met het consensus-document en de
daarin gestelde principes kunnen opeisen, toch is het slotdokument van
Caïro niet bindend voor de staten die het hebben ondertekend. Ook laten
de vage formuleringen in ieder geval ruimschoots speelruimte voor elke
desgewenste interpretatie. Zo wordt de regeringen "doelmatige
maatregelen" en "gepaste stappen" aangeraden, zij moeten "werkzame
strategieën" ontwikkelen en "geëigende diensten" beschikbaar stellen -
wat dat dan ook in de afzonderlijke gevallen mag betekenen.</font></p>


<p><font face="Arial">"Wanneer je de vaardigheid beheerst, is het
gemakkelijk een keurig document te schrijven, waarover niemand de
strijd aangaat en dat niet motiveert om te reageren" merkte de
Nigeriaanse juriste Adetoun Ilumoka op na haar terugkeer uit Caïro<img src='http://www.biopolitiek.nl/extensions/emoticons/trillian/e_53.gif' alt='(h)' align='middle'/>.</font></p>


<p><font face="Arial">In de praktijk van bevolkingspolitiek is
daarentegen niets te merken van een afwijking van de koers. Net als
voorheen investeren organisaties als de WHO, de Population Council en
talrijke laboratoria in onderzoek naar langwerkende voorbehoedmiddelen,
bijvoorbeeld in de 'inenting' tegen zwangerschap. Dit vaccin is, net
als het hormoonpreparaat Norplant, gebaseerd op een bevolkingspolitiek
beginsel dat de beslissingsvrijheid van vrouwen inperkt(83). Werd het
idee van reproductieve rechten werkelijk serieus genomen, dan zouden de
miljoenen verslindende onderzoeken naar het zwangerschapsvaccin
stopgezet worden(i).</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Bevolkingspolitieke streefcijfers worden
dan misschien niet meer in het slotdocument van Caïro genoemd, ze zijn
echter net als daarvoor bestanddeel van bevolkingspolitieke
programma's, zoals bijvoorbeeld in India. Daar wordt de laatste tijd de
NGO's nadrukkelijk aangeraden family-planning in hun programma op te
nemen, onafhankelijk van hun zwaartepunten en verdere werk. Op deze
manier kunnen de groepen hun kans vergroten om nationale of
internationale subsidies te bemachtigen voor hun projecten. In India
tekent zich net als in andere landen een ontwikkeling af, waarbij veel
vrouwenprojecten zich pragmatische opstellen t.o.v. de consensus van
Caïro, omdat zij proberen hun eigen plannen en ideeën zo te formuleren,
dat ze in het concept van "reproductieve rechten" passen en
gefinancierd kunnen worden middels de bevolkingspolitieke geldpot -
daar er steeds minder andere financiën te vinden zijn.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Enkele maanden voor de conferentie in
Caïro werd in India een ontwerp voor een nieuwe nationale
bevolkingspolitiek gepresenteerd: tegenover de retoriek van
'empowerment' van vrouwen, stelde men in dit plan bijvoorbeeld het
volgende voor: "In de toekomst moet het nationale leger en
paramilitaire eenheden ingezet worden om een 'bevolkingsstabilisatie'
te bereiken; mensen met een hoger kindertal moet het passieve kiesrecht
ontnomen worden; personen met meer dan twee kinderen mogen niet werken
in de georganiseerde sektor" (84). Op grond van massaal protest van
Indiase feministen, heeft de regering moeten afzien van een politieke
bekrachtiging van dit voorstel(85).</font></p>


<p><font face="Arial">De mensen in het Zuiden, zo verwoordde Sylvia
Claudio van de Filipijnse vrouwenorganisatie "Gabriela" het in Caïro,
worden "nog altijd ervaren als een tikkende tijdbom, die nu
onschadelijk gemaakt moet worden met vrouwengezondheidszorg en
-scholing"(86).</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Los van alle toespraken over
"empowerment", "reproductieve rechten" en ontwikkeling, is het dogma
van 'overbevolking' met hulp van de mediaberichtgeving vanuit Caïro,
opnieuw wereldwijd gepresenteerd als een onomstootbaar feit. En als
voorheen, wordt bevolkingsgroei gezien als één van de "big
five"-wereldproblemen, waarover op VN-bijeenkomsten regelmatig moet
worden gesproken(87).</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial"><b>Noten:</b><br  />
(a)&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; Van de ongeveer 12000 conferentiedeelnemer(ster)s waren rond
de 5000 afkomstig van NGO's. De rest bestond voor de helft uit
regeringsdelegaties en journalisten. Het NGO-Forum vond parallel aan de
conferentie plaats. Op de conferentie hadden alleen
regeringsvertegenwoordigers stemrecht. Omdat de officiële
landendelegaties echter dikwijls ook bestonden uit medewerkers van
NGO's, ontstond er tussen de officiële conferentie en het Forum een
soort 'pendeldiplomatie' (zie: Wichterich).<br  />
(b)&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; 'Empowerment' kan in deze contekst vertaald worden als 'het
versterken van de maatschappelijke positie en de mogelijkheden van
vrouwen'. <br  />
(c)&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; Puerto Rico, vroeger een Spaanse kolonie, werd in 1898 door
het VS-leger veroverd; in 1900 stelde de VS-president er een koloniale
regering in. De formele status van het eiland veranderde meerdere
keren. In de periode waarover we hier spreken golden de wetten en de
regels van de VS uit 1952. Volgens deze wetten beschikte Puerto Rico
over een beperkt zelfbestuur, de inwoner(ster)s hadden de
VS-amerikaanse nationaliteit, moesten voor het VS-leger in dienst, maar
waren niet stemgerechtigd. In het Amerikaanse parlement was het eiland
zonder stemrecht vertegenwoordigd.<br  />
(d)&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; In 1975 hield het Russell-Tribunaal zich bezig met
bevolkingspolitiek in Puerto Rico. In het daaraan voorafgaande jaar
hadden sprekers van de Puerto Ricaanse onafhanklijkheidsbeweging de VS
aangeklaagd bij de VN. Zij beschuldigden de VS van imperialisme en van
het misbruiken van het eiland sinds de 30er jarenals laboratorium voor
bevolkingspolitieke programma's. Zij zagen de sterilisatiecampagnes als
volkerenmoord - ook in overeenstemming met de VN-conventie die in 1948
was aangenomen. Volgens deze konventie is er o.a. feitelijk sprake van
volkerenmoord wanneer 'zwaar lichamelijk of geestelijk letsel
toegediend wordt aan leden van een nationale, ethnische, raciale of
religieuze groep of wanneer 'maatregelen' ondernomen worden met 'als
doel geboortes binnen een bepaalde groep te voorkomen'. Over
bevolkingspolitiek in Puerto Rico, zie ook: Ana Maria Garcia, La
Operacion, een dokumentaire, Puerto rico 1982 (te verkrijgen via
CON-film in Bremen).<br  />
(e)&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; 'DAWN' betekent: morgenrood, ontwaking, opbreken en begin.<br  />
(f) De demograaf Kingsley Davis had al in 1954 er op gewezen dat een
hoog geboortencijfer zoals in Puerto Rico, ongunstig zou zijn voor een
land, o.a. omdat dit de vrouwelijke arbeidskrachten uit de industrie
weg trok. Zie: Kingsley Davis, The Demografic Foundations of National
Power, afgedrukt in Hardin, pagina 71-74. In Thailand werd
bevolkingspolitiek verbonden met programma's t.a.v. dorpsontwikkeling.
Leningen voor economische bestaanszekerheid werden door de nationale
family-planningsorganisaties alleen verstrekt aan families die zich
verplichtten aan anticonceptie te doen, of toestemden in sterilisatie.
Zie: Marie-Louise Buchczik, Hans-Christiph Koch, Ulrike Schaz,
Glüks-Spirale. Vom Gewinn kontrollierter Fruchtbarkeit. Dokumentaire,
BRD 1985. Distributie: Matthias-Film, Stuttgart.<br  />
(g) Als opstellers worden o.a. genoemd: Joan Dunlop, Marge Berer, Sonia
Correa, Loes Keyser, Rosalind Pollack Petchesky, Adrienne Germain,
Jaqueline Pitanguy. De verklaring 'Women's Voices 94' werd tijdens de
tweede voorbereidingconferentie in New York gepresenteerd, en onder
andere&nbsp; via verschillende distributeurs verzonden en als bijlage
toegevoegd bij diverse tijdschriften.<br  />
<img src='http://www.biopolitiek.nl/extensions/emoticons/trillian/e_53.gif' alt='(h)' align='middle'/> Orwelliaans "newspeak" betekent zoveel als 'het mooi maken van je
eigen geschiedenis': zo doen organisaties als het Population Council,
die tot de hardliners van de bevolkingspolitiek behoort, de laatste
tijd alsof hun werk altijd al op liberaal-feministische principes
gebaseerd was. De tolerantie t.a.v. kritiek rijkt in ieder geval niet
zo ver als een liberale positie pretendeert: de Population Council trad
op tegen de televisieuitzending van de Britse BBC-documentaire "The
Human Laboratory" (waarin o.a. het door de Population Council op de
markt gebracht hormonale middel "Norplant" bekritiseerd wordt) in de VS
en protesteerde heftig bij de BBC. Zie hiervoor de brief van de
presidente van de Population Council, Margaret Catley-Carlson, van
22-11-1995, aan de BBC.&nbsp; <br  />
(i) De afdeling van de wereldgezondheidsorganisatie (WHO) die deze
onderzoeken coördineert, riep in 1996 een "Gender Advisory Panel" in
het leven. De daarvoor benoemde "women's advocats" pleitten in de
eerste bijeenkomst van dit Panel, voor het voortzetten van de
onderzoeken. In ieder geval moest het imago van de inenting verbeteren
en er moest zo snel mogelijk een andere naam gevonden worden, waarin
negatieve woorden als "anti" of "non" vermeden werden. Zie:
UNDP/UNFPA/WHO/Worl Bank Special Programma of Research, Development and
Research Training in Human Reproduction, Gender Advisory Panel, Report
12-14.2.1996.</font></p> ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">234@http://biopolitiek.nl/pivot/</guid>
			<category>Helix</category>
			<pubDate>Sun, 06 Feb 2005 12:35:00 +0100</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>WAT WE ONDER NATUUR VERSTAAN, IS NIET NATUURLIJK</title>
			<link>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=235&amp;w=helix</link>
			<comments>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=235&amp;w=helix#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ <h3>Inleiding op het artikel van Heide Mertens</h3>
<br  />
<font face="Arial">In de discussies over bevolkingsontwikkeling wordt
milieuvervuiling vaak aangehaald als argument voor een rem op
bevolkingsgroei. "Des te meer mensen, des te meer milieuvervuiling" is
hierbij de redenatie. De standpunten die uit deze redenatie voortkomen
lopen uiteen. Sommigen vinden de één-kind politiek van China een goed
voorbeeld welke door andere landen in het Zuiden gevolgd zou kunnen
worden om het milieu te sparen. Anderen voegen hier aan toe dat het
Noorden als tegenprestatie minder zou moeten consumeren, bijvoorbeeld
door minder auto's te gebruiken. Weer anderen, o.a. Milieudefensie,
vinden het afremmen van de bevolkingsgroei veel dringender in het
Noorden dan in het Zuiden. Hoe verschillend deze meningen ook zijn, ze
hebben met elkaar gemeen dat bevolkingspolitiek - gericht op een afname
van geboortes en soms ook van immigratie - gelegitimeerd wordt met het
argument dat daarmee de natuur gespaard zou worden. In al deze visies
wordt de Mens gezien als vijand van de Natuur.</font></p><p><font face="Arial">Het dualistisch denken in "mens versus natuur"
wordt breed gedragen, net als het idee dat er minder kinderen geboren
zouden moeten worden vanwege het milieu. Wij zijn het met deze
zienswijze niet eens en hebben daarom gekozen voor het artikel
"Vrouwen, Natuur en Vruchtbaarheid" van Heide Mertens. Met name haar
concluderende alinea's geven een interessante visie op de
milieumaatregelen die westerse overheden opleggen aan de zogenaamde
ontwikkelingslanden. Het artikel is een bijdrage aan de discussie over
'overbevolking' en milieu, met het doel een andere en meer
gedifferentieerde visie te geven die tegenover het "mens versus
natuur"-gedachtengoed geplaatst wordt.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Heide Mertens is sociologe en medewerkster
van het Duitse tijdschrift "Peripherie". Zij richt zich in haar werk op
onderzoek naar bevolkingspolitiek, gezinspolitiek en vrouwen en
ontwikkeling. In haar artikel gebruikt Mertens regelmatig de woorden
'natuur' en 'milieu' zonder echter specifiek in te gaan op de betekenis
hiervan, terwijl dit nogal vage en onafgebakende concepten zijn. Voor
een juist begrip van Mertens betoog wordt in deze inleiding kort
ingegaan op feministische theorievorming over 'natuur'. In
feministische kringen wordt hieraan namelijk al jaren gewerkt doordat
vrouwen vaak gezien worden als 'natuurlijker' dan mannen of 'dichter
bij de natuur staand'. Bij het bestuderen van deze mythe is het
onvermijdelijk een begripsdefinitie te ontwikkelen. Mertens gebruik van
de termen 'natuur' en 'milieu' kan geplaatst worden in onderstaande
begripsbepaling. </font></p>


<p><font face="Arial">In de westerse visie wordt de mens zelf niet
gezien als onderdeel van de natuur. Er is de Mens, en zijn natuurlijke
omgeving bestaande uit water, lucht, grond, planten en dieren. Dat is
het basis-idee. Daarbij is het echter ook gangbaar te denken dat
vrouwen vanwege hun vermogen kinderen te baren, toch wèl enigszins tot
de 'natuur' behoren. Zij zouden in ieder geval dichter bij de natuur
staan dan mannen. Hetzelfde geldt voor 'inheemse' volken die hun leven
inrichten volgens traditionele gebruiken; ook zij worden gezien als
'natuur'. Opvallend is dat het juist vrouwen en 'inheemse' volken (de
bevolking in landen van het Zuiden) zijn, die deel uit zouden maken van
de 'natuur'; het zijn de bevolkingsgroepen die onder aan de mondiale
maatschappelijke ladder staan. </font></p>


<p><font face="Arial">Tijdens de speurtocht van feministisch-economen,
waaronder Claudia Von Werlhof[1], naar de betekenis van gratis
vrouwenarbeid, stuitten zij op het volgende: "Bij het zoeken naar een
kwalitatief ander, en meer omvattend begrip van uitbuiting, hebben we
vastgesteld dat het uitgebuite telkens door de uitbuiters tot 'natuur'
gemaakt en gedefinieerd wordt" [2].</font></p>


<p><font face="Arial">Met andere woorden: daar waar in teksten
gesproken wordt over het gebruiken - voor kapitalistische productie -
van mensen (vrouwen en slaven), land (o.a. kolonisatie), grond
(toeëigenen van delfstoffen en andere hulpbronnen), water of lucht,
noemt men deze categorieën 'natuur'. Dit is niet onlogisch want natuur
is immers gratis. De natuur mag toegeëigend, gebruikt, uitgebuit en
beheerst worden, anders zou zij 'waardeloos' zijn.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">'Natuur' is een tamelijk nieuw begrip dat
pas opdook bij het ontstaan van de burgerlijke samenleving die
samenging met de koloniale verovering en onderwerping van de wereld
(vanaf ongeveer 1500 N.C.). Het ontstond als het tegenovergestelde van
de begrippen 'beschaving', 'mens', 'subject' en 'arbeid'. Vrouwen en
gekoloniseerde mensen werden eerst tot 'natuur' bestempeld en
vervolgens behandeld als het 'natuur' van de kapitalistische
samenleving: gratis beschikbaar. De industrielanden hebben zichzelf
altijd naar voren geschoven alsof zij De Samenleving, De Beschaving en
De Mens verpersoonlijken, uitgerust met het 'natuurrecht' op
toeëigening en uitbuiting van de 'natuur'.</font></p>


<p><font face="Arial">'Natuur' kunnen we daarom definiëren als "al
datgene dat kapitalisten zich gratis ter beschikking stellen ten bate
van de productie". Het gaat hierbij om gekoloniseerden volkeren,
vrouwen, bossen, grond, grondstoffen, dieren, planten, water en lucht.
Met andere woorden; het gaat bij het begrijpen en definiëren van het
begrip 'natuur' om bezitsverhoudingen. Het gaat dus niet over
sentimentele ideeën ten aanzien van een oerbos of zogenaamd primitieve
volken. Het betreft hier iets totaal anders. In de kern gaat het
namelijk over bezit: een deel van de mensen meent land, water, lucht en
zelfs mensen te kunnen bezitten. Het gaat over verhoudingen waarbij het
ene deel van de mensen zich tot 'Mens' kan verklaren ten koste van
schone lucht, grond, water en ten koste van een ander deel van de
mensen. </font></p>


<p><font face="Arial"><b>Noten:</b><br  />
[1] Zie: Claudia von Werlhof, Maria Mies, Veronika Bennholdt-Thomsen; Frauen, die letzte Kolonie, RoRoRo, 1988.<br  />
[2]&nbsp; Idem; pag. 138.</font></p> ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">235@http://biopolitiek.nl/pivot/</guid>
			<category>Helix</category>
			<pubDate>Sat, 05 Feb 2005 12:36:00 +0100</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>H5. VROUWEN, NATUUR EN VRUCHTBAARHEID</title>
			<link>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=236&amp;w=helix</link>
			<comments>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=236&amp;w=helix#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ <h3>Het debat over bevolking en de ecologische draagkracht van de aarde</h3>
<br  />
<font face="Arial"><b>In een wereld waarin de natuur steeds meer door
menselijk ingrijpen veranderd, gemanipuleerd en vernietigd wordt,
blijven ook vruchtbaarheid, het baarvermogen van vrouwen en hun
kinderwensen niet vrij van allerlei ingrepen en ontwikkelingen die
gericht zijn op controle. Door steeds meer regeringen wordt gestreefd
naar een getalsmatige beheersing van de bevolkingsomvang: het aantal
mensen, ontstaan uit individuele kinderwensen, moet afgestemd worden
op&nbsp; nationale economieën en milieu-eisen. In de landen waar het
landschap bepaald wordt door hoog-geïndustrialiseerde
landbouwbedrijven, asfaltwegen voor het verkeer, in goede banen geleide
en gestuwde rivieren, wil men ook de omvang en de kwaliteit van de
bevolking die in deze omgeving leeft en werkt onder controle hebben.
Nog noodzakelijker schijnt dit te zijn in de gebieden waar de laatste
bossen, moerassen en rivieren het slachtoffer van menselijk ingrijpen
dreigen te worden en waar woestijnen zich uitbreiden. Des te meer het
leefmilieu op maat gesneden is, des te luider wordt de roep om een
geplande bevolking.</b></font></p><p><font face="Arial">Zoals de mens de natuur om zich heen vervormt,
controleert en vernietigt, zo probeert hij ook invloed uit te oefenen
op z'n eigen natuur en op de kwantiteit en kwaliteit van het
nageslacht. Hiervan zijn voornamelijk vrouwen de dupe. Met telkens
nieuwe experimenten op vrouwenlichamen, uitgevoerd door gyneacologen en
genetici, wordt ernaar gestreefd kinderen nauwkeurig te plannen en hun
kwaliteit te perfectioneren.</font></p>


<p><font face="Arial">Verwekking, voortplanting, zwangerschap en
geboorte zijn organische processen die altijd, de gehele geschiedenis
door en in elke samenleving, beïnvloed worden door een veelvoud aan
voorstellingen, mythen, taboes en kennis. Op dit fundament van kennis
zijn de hedendaagse technieken en mogelijkheden, bijvoorbeeld rondom
geboortencontrole of -verlichting, gebaseerd. Terwijl in de
gendustrialiseerde landen zowel de kennis als ook de techniek zich
momenteel vergaand in handen van artsen bevindt, hadden in veel
samenlevingen vrouwen daar zelf beschikking over met behulp van
zogenaamde "wijze vrouwen" of vroedvrouwen. Het karakter van de
ingrepen die op vrouwenlichamen worden uitgeoefend is, net als de
ingrepen in de natuur, in iedere maatschappij verschillend. Zo kan hulp
bij een geboorte bestaan uit een verdovingsprik in de rug die door een
arts toegediend wordt terwijl de vrouw op een gynaecologische stoel
ligt; maar het kan ook door samen met de barende vrouw ritmische
cirkelbewegingen vanuit het bekken te maken. Het ene hoeft niet
vooruitstrevender te zijn dan het andere. Er ligt alleen een geheel
ander begrip van de eigen natuur en handelswijze aan ten grondslag.</font></p>


<p><font face="Arial">In dit artikel zal geprobeerd worden de samenhang
tussen vrouwelijke vruchtbaarheid en ecologische omstandigheden te
verduidelijken. Hierbij zal getoond worden dat zowel de verhouding van
vrouwen tot hun eigen natuur, hun lichaam, als ook tot de buitenwereld,
gevormd wordt door de samenleving waarin zij leven. Noch de relatie van
vrouwen met hun lichaam, noch die met hun omgeving is een 'natuurlijke'
relatie, maar wordt door vrouwen zelf gevormd, waarbij de sociale
situatie een grote rol speelt. Omgevingsfactoren zoals
bevolkingsontwikkeling zijn daarom een uitdrukking van de menselijke
relaties met hun 'interne' en 'externe' natuur. Zodoende zijn
geboortenregeling en bevolkingscontrole geen technische, maar politieke
problemen; bepalend voor het kindertal zijn niet de beschikbare
voorbehoedmiddelen, maar de sociale omstandigheden waaronder vrouwen
kinderen krijgen; niet de bevolkingsomvang bepaalt de toestand van het
milieu, noch de technologische mogelijkheden om de natuur te bewerken,
maar de manier waarop mensen de warenproductie organiseren en uitvoeren.</font></p>


<p><font face="Arial">De in het europese Verlichtingsdenken verankerde
ambivalente relatie met de natuur, heeft ook een tegenstrijdige houding
ten opzichte van het vrouwelijke baarvermogen teweeg gebracht. In de
filosofie van de Verlichting wordt&nbsp; de natuur beschouwd als tegenpool
van de menselijke beschaving (zie ook Mertens 1991, blz. 31). De
stereotypering van de vrouw als moeder en baarster, waarbij zij
tegelijkertijd gereduceerd wordt tot 'natuur', behoort tot deze
denktraditie. Het baarvermogen stelt een zuivere belichaming van het
natuurlijke van de vrouw voor en is het tegenbeeld van het Verlichte,
rationele mannelijke individu. Zwangerschap en geboorte worden, evenals
het geven van borstvoeding, niet als sociale gebeurtenissen ervaren,
maar als biologische.</font></p>


<p><font face="Arial">De symbolische en mythologische verheerlijking
van het vrouwelijk baarvermogen en van de natuur in sommige
radicaal-feministische literatuur, in het bijzonder in het
ecofeminisme, staat in zekere zin nog in deze traditie van de
Verlichtings-filosofie (vergelijk Mertens 1991, blz.72). Het
ecofeminisme zoekt vanuit het baarvermogen van vrouwen een verklaring
voor het 'dichter bij de natuur staan' van vrouwen en de andere manier
waarop vrouwen omgaan met de natuur. Hiermee bevestigt het ecofeminisme
het zogenaamde fundamentele, universele verschil tussen vrouwen en
mannen (zie Mies 1988, blz.67). Aan vrouwen wordt toegeschreven dat zij
'van nature' ecologisch werken, terwijl de vernietigende kracht van de
moderne produktiemethoden voort zou vloeien uit de voor mannen
karakteristieke interactie tussen de natuur, technologie en
gereedschappen.</font></p>


<p><font face="Arial">Precies tegenovergesteld aan het ecofeminisme,
wordt de verhouding van "vrouwen, natuur en baarvermogen" in de
ideologie van de family-planners beoordeeld: vrouwen worden beschouwd
als wezens die overgeleverd zijn aan hun 'natuurlijke' baarvermogen. De
talrijke geboorten worden gezien als een quasi natuurlijke groei en
daarmee als oorzaak van een ongecontroleerde bevolkingstoename die op
haar beurt een gevaar voor het milieu betekent. Onwetendheid van
vrouwen in ontwikkelingslanden, tradities en patriarchale verhoudingen
gelden als oorzaken van deze ellende.</font></p>


<p><font face="Arial">Als oplossing wordt vrouwenemancipatie naar
westers model gepropageerd. De eerste stap hiertoe is de invoering van
moderne anticonceptie-middelen zodat vrouwen hun kindertal kunnen
beperken. Emancipatie betekent hier vooral de controle over de eigen
natuur en wordt zo tegelijkertijd ook een middel voor
bevolkingscontrole. De medische beheersing van de vruchtbaarheid van
vrouwen lijkt een voorwaarde te zijn voor controle over de bedreigde
natuurlijke hulpbronnen. Vruchtbaarheidsbeheersing wordt middel voor
milieubescherming. In het Wereldbevolkingsrapport van 1988 staat het
als volgt omschreven: "Vrouwen spelen zowel bij de
bevolkingsontwikkeling als bij het in stand houden van de natuurlijke
hulpbronnen een centrale rol... Veelbelovende programma's, of dat nu
gaat om bevolkings- of milieukwesties, richten zich daarom in eerste
instantie op vrouwen" (Wereldbevolkingsrapport 1988, blz.4)</font></p>


<p><font face="Arial">De vrouwelijke biologie, gedefinieerd als haar
baarvermogen, wordt of geïnterpreteerd als universele oorzaak van
vrouwenonderdrukking, of als hetgeen dat mogelijk een oplossing kan
bieden voor "bevolkings- of milieukwesties". Een genuanceerde analyse
van de verbanden tussen levensomstandigheden van vrouwen, hun
kinderwensen en ecologische omstandigheden blijft uit.</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Vrouwen en ecologie I:<br  />
Milieuvernietiging en het nieuwe moederschap</i></b><br  />
Het lijkt erop dat toenemende milieuvernietiging juist vrouwen meer
werk en zorgen brengt. Zij zijn het die de kinderen en familie proberen
te beschermen voor de schadelijke milieuvervuiling en die zo
voorzichtig en zuinig mogelijk om moeten gaan met levensmiddelen en
grondstoffen . Het wordt lastiger dagelijks gezonde levensmiddelen te
krijgen en pogingen milieuvernietiging tegen te gaan middels een andere
omgang met hulpbronnen, veroorzaakt bijna altijd meer werk en
toestanden.</font></p>


<p><font face="Arial">In de geïndustrialiseerde landen betekent dit dat
levensmiddelen duurder, in biologische winkels, gekocht moeten worden.
De kinderen moeten meer in de gaten gehouden worden zodat hen geen
ongelukken overkomen door het verkeer op straat of door giftige stoffen
in het milieu. Voor de voeding van zuigelingen moet mineraalwater
aangesleept worden omdat het leidingwater soms besmet is met nitraten.
De poging om milieubewust te leven betekent dus nieuwe opgaven. Daartoe
behoort bijvoorbeeld het bijhouden van een composthoop, het omslachtig
scheiden van afval, het vermijden van kant-en-klaar maaltijden of de
vergaande pogingen af te zien van wegwerpluiers en het gebruik van de
auto.</font></p>


<p><font face="Arial">Dit alles staat in ogenschijnlijke tegenspraak
met het verlangen van vrouwen in de industrielanden naar economische en
sociale gelijkberechtiging en het recht op een eigen inkomen en beroep.
Immers, zonder wegwerpluiers, kant-en-klaar maaltijden en een tweede
auto kunnen buitenshuis werkende moeders het dagelijks leven nauwelijks
klaarspelen. Andere vrouwen hebben daarentegen om economische redenen
geen andere keus dan bij de goedkoopste winkel inkopen te doen, af te
zien van een auto, de kinderen bij oma af te leveren en buitenshuis te
gaan werken. In beide gevallen betekent loonarbeid onder de gegeven
omstandigheden, een directe inpassing in het milieuvernietigende en het
mensvijandelijke produktiesysteem, waarbij de thuiswerkende huisvrouw
en moeder als op een eiland zit en alleen met dit systeem verbonden
lijkt door de bonte wereld van consumptie-artikelen.</font></p>


<p><font face="Arial">De moeilijkheid om kinderen in een kindvijandige
omgeving op te laten groeien en het conflict tussen enerzijds de poging
milieubewust te leven en anderzijds economisch en sociaal onafhankelijk
te zijn, vormen redenen voor vrouwen in de industrielanden om maar
weinig kinderen te kunnen en willen krijgen. Ook de angst kinderen op
de wereld te zetten in een steeds meer vervuilde omgeving, speelt een
rol bij het plannen van de verdere levensloop. Desondanks zijn het
juist de consumptieprodukten voor een kleine groep maatschappelijk
gewenste kinderen uit de gendustrialiseerde landen, die een niet te
onderschatten milieuvervuiling veroorzaken: iedere zuigeling laat een
berg van ongeveer 5000 plastic wegwerpluiers achter, die niet
gerecycled noch afgebroken kunnen worden. Daarnaast is er het
verpakkingsmateriaal van de luiers, babybadschuimflessen, allerlei
flacons, in aluminium verpakt babyvoeding enzovoorts. Bij het berekenen
van milieuvervuiling en -uitputting zouden ook nog zaken opgenomen
moeten worden als de energie en grondstoffen die nodig zijn voor de
produktie van de babyuitzet: kinderwagens, autozitjes, draagzakken,
rugzakken, plastic teiltjes, kinderbedjes, knuffeldieren en de bonte
plastic wereld van het kinderspeelgoed. De toenemende milieubelasting
wordt echter niet geweten aan de vervuiling van kinderen uit de
industrielanden. In tegendeel, ter verhoging van de economische
stabiliteit van het Noorden zijn ze gewenst en worden eerder met nog
meer bescherming en verspilling grootgebracht, om zo te voldoen aan
onze produktiemaatschappij. Van conservatieve zijde wordt de Europese
middenklasse-moeder aangespoord tot het krijgen van meer kinderen, want
er dreigen, naar men beweert, problemen door vergrijzing en het slinken
van de bevolkingsomvang in de economisch zwakke gebieden: bij een
bevolkingafname op het platteland van de industrielanden, zouden
natuurbeschermende maatregelen niet meer uitvoerbaar en rendabel zijn
wanneer boerderijen verdwijnen en dorpen leeglopen.</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Vrouwen en ecologie II: Slachtoffer of schuldige ?</i></b><br  />
Terwijl in de industrielanden de reactie van veel vrouwen op
vervreemding van de natuur en op de kind- en levensvijandige omgeving,
bestaat uit een nieuw 'moederschap met eco-touch', vindt men dat
vrouwen in ontwikkelingslanden het milieu moeten redden d.m.v.
emancipatie en het afzien van kinderen. Steeds opnieuw suggereren
krantenartikelen, televisiereportages en zelfs oproepen van grote
milieu-organisaties een samenhang tussen het aantal kinderen en de
milieuvernietiging in Afrika, Azië, en Latijns-Amerika. De beelden van
ondervoede kinderen in de vluchtelingenkampen van Afrika of bedelende
jongetjes in de straten van Calcutta of Rio de Janeiro moeten voor zich
spreken. Keer op keer worden berichten over verwoestijning, het kappen
van regenwoud en water- en luchtvervuiling in de groeiende metropolen
van het Zuiden, in verband gebracht met de bevolkingsaanwas. Vrouwen,
en dan uitgerekend de arme vrouwen, kleine boerinnen, dagloonsters en
krottenwijkbewoonsters, worden er op deze manier voor verantwoordelijk
gesteld. Het wordt hen verweten dat ze brandhout verzamelen, om dit
vervolgens in de groeiende steden van het Zuiden te verkopen, waarmee
ze proberen een inkomen te verwerven. Wanneer zij proberen op
ecologisch ongeschikte grond akkerbouw uit te oefenen, bijvoorbeeld op
extreem aflopende hellingen, in droogte- of respectievelijk vochtige
gebieden, wordt hen dat eveneens voor de voeten geworpen. Maar zolang
andere manieren om inkomsten te krijgen mislukken, blijft er voor hen
geen andere keus over dan zelf bij te dragen aan de vernietiging van
hun directe leefomgeving. Van alle dingen waar de vrouwen in het Zuiden
van beschuldigd worden is het grootste verwijt dat ze "te veel"
kinderen op de wereld zetten.</font></p>


<p><font face="Arial">Hoewel juist de vrouwen in ontwikkelingslanden
hun kinderen grootbrengen met slechts een fraktie van wat in de
industrielanden gebruikt wordt aan energie en andere hulpbronnen,
worden zij aangeklaagd voor milieuvernietiging. Ook zijn zij degenen
die met name getroffen worden door de vervuiling. Wanneer zij als
arbeidsters op thee- of bloemenplantages, in de textiel- of
leerindustrie met gif en pesticiden geconfronteerd worden, heeft dat
immers directe gevolgen voor hun gezondheid en die van hun kinderen.
Nog dramatischer wordt milieuvernietiging ervaren in gebieden die door
atoomafval en atoomproeven zijn besmet. Hier lijden de mensen aan
onvruchtbaarheid, krijgen vrouwen miskramen of kinderen met genetische
afwijkingen. Zij en de kinderen worden vaker getroffen door kanker dan
elders. Deze berichten krijgen we niet alleen te horen uit Tsjernobyl,
maar bijvoorbeeld ook van vrouwen van de eilanden in de Stille Oceaan,
van Canadese indianen en van vrouwen uit het grensgebied van China en
de voormalige Sowjet-Unie.</font></p>


<p><font face="Arial">Milieuvernietiging betekent voor vrouwen uit het
Zuiden - nog veel concreter dan bij ons - een bedreiging van het
dagelijks leven. Daar waar niets meer groeit omdat de bodem geërodeerd
is, de waterbronnen opgedroogd en de speurtocht naar brandhout en
voedsel voor de dieren steeds verder van huis gaat, wordt
milieuvernietiging een kwestie van overleven. Ook hier betekent dit
steeds meer werk, vooral voor vrouwen. Water halen, brandhout
verzamelen, werken op het land, de noodzaak extra inkomsten binnen te
halen (bijv. door brandhout te verkopen); alles kost meer tijd, kracht
en energie. In deze situatie kan het hebben van kinderen een
verlichting van het werk betekenen. Weliswaar neemt de vrouw met haar
zwangerschap een extra belasting op zich, maar de kinderen helpen al op
jonge leeftijd bij het water halen, verzamelen van brandhout,
huishoudelijk werk, het oppassen op jongere kinderen en ook bij extra
klusjes waarmee meer inkomen verworven wordt. Kinderen gelden nog
steeds, al lijkt dat af en toe niet realistisch, als verzekering voor
de oude dag, ziekte of als hoop op een eventueel betere toekomst.</font></p>


<p><font face="Arial">Onzekere levensomstandigheden, de achterstelling
van vrouwen, het ontbreken van een zelfstandige economische positie en
daarbij ook nog de milieuproblemen, laten voor vrouwen in het Zuiden
weinig mogelijkheden open voor een uitgebreide levensplanning
waarbinnen ook het plannen van een gezin een rol zou kunnen spelen.
Kinderen vervullen veel meer een rol in de strategieën die gericht zijn
op het dagelijks overleven. Bij vrouwen in het Noorden is de daling van
het kindertal daarentegen het gevolg van het niet kunnen combineren van
moederschap en betaald werk, en heeft tevens te maken met de weinig
kindvriendelijke omgeving. Maar noch het milieumanagement van de
Europese huisvrouw (bio-winkel, eco-luiers, en afval sorteren), noch de
overlevingsstrategieën van de kleine boerinnen en loonarbeidsters in de
ontwikkelingslanden zullen de aarde kunnen redden. Zij zijn immers
gebonden aan een wereldeconomie, waarin grondstoffen en goederen
ongelijk verdeeld en verspild worden en het milieu meer beïnvloed wordt
door de heersende produktiesystemen van industrie en landbouw, dan door
het individuele engagement van consumentes en kleine producentes.</font></p>


<p><font face="Arial">Zo zullen energiebesparende ovens, bio-gas
constructies en zonne-energie fornuizen geen compensatie bieden voor de
bodemvernietigende exportlandbouw van het Zuiden en de industriële
projecten die vanuit ecologisch oogpunt zeer bedenkelijk zijn. </font></p>


<p><font face="Arial">Ook in de industrielanden verstaat men onder
"milieubeschermende politiek" vooral oproepen aan individuele
consumenten: energiezuinig stoken, milieubewust boodschappen doen en
afval sorteren. Een koerswijziging van de industrie, de invoering van
ecologische landbouw of een andere verkeerspolitiek blijven ook in het
Noorden uit. Vrouwen worden op deze manier gereduceerd tot 'beheersters
der gebreken' die de verantwoordelijkheid dragen om de laatste resten
van de natuur te behouden en te onderhouden, terwijl de werkelijke
oorzaken van de milieuvernietiging halfslachtig aangepakt worden (zie
ook Wichterich 1992, blz. 82).</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Biologische concepten voor een maatschappelijk probleem</i></b><br  />
Binnen het publieke debat over bevolkingsgroei in de
ontwikkelingslanden wordt ieder kind, gebaard door een vrouw uit het
Zuiden, gezien als extra milieubelasting. In de invloedrijke
mediaberichten over de milieuproblemen, wordt eenvoudigweg het groeiend
aantal mensen tegenover de voorhandenzijnde natuurlijke hulpbronnen
gesteld: de houtvoorraad van de bestaande bossen, de waterreservoirs en
de bebouwbare akkervelden worden berekend. Er wordt gewaarschuwd dat
met de stijgende levensstandaard en consumptiebehoeften het
bronverbruik per hoofd van de bevolking in de Zuidelijke landen nòg
verder zal stijgen en de behoeftenbevrediging van mensen steeds
moeilijker wordt.</font></p>


<p><font face="Arial">Men is het erover eens dat een consumptie-niveau
zoals die in de gendustrialiseerde landen, om ecologisch redenen niet
te verwerkelijken is voor alle mensen ter wereld. Zo'n verbruiksniveau
is bij een verder groeiende wereldbevolking al helemaal onmogelijk.
Maar dit leidt in geen geval tot het ter discussie stellen van de
levensstijl en produktiemethoden in de geïndustrialiseerde landen. In
tegendeel, het ontketent een oproep tot geboortenbeperking voor de
vrouwen in het Zuiden.</font></p>


<p><font face="Arial">Aan zo'n voorstelling ligt een puur biologisch
idee ten grondslag over ecologie. Mensen worden slechts als individuen
gezien. Mensen worden niet beschouwd als in een gemeenschap levend, in
een samenleving met een bepaalde sociale orde die hun mogelijkheden tot
economisch handelen en consumeren meebepaald. Overeenkomstig wordt ook
de voortplanting van de mens opgevat als een zuiver biologisch proces,
dat niet door regels van de samenleving, maar slechts door moderne
voorbehoedstechnieken te controleren valt.</font></p>


<p><font face="Arial">In de biologie staat het begrip "populatie" voor
een bepaald aantal levende wezens (ratten, microben, muizen...), die in
een zeker territorium onder desbetreffende omstandigheden kunnen
overleven. De draagkracht van dit territorium wordt alleen bepaald door
de zogenaamde natuurlijke omstandigheden; niet door de manier waarop de
"populatie" daar leeft. Deze zienswijze uit de biologie wordt
overgedragen op de menselijke samenleving. Pierre Odum (1980), de
auteur van een standaardwerk over ecologie, beschrijft de mensen
equivalent aan "parasieten" (zie blz.719 van zijn boek). Ook de
Verenigde Naties verspreiden een soortgelijk beeld wanneer ze in het
Wereldbevolkingsrapport van 1989 schrijven: "In de ontwikkelingslanden
is het voortdurend groeiend aantal arme mensen gedwongen tot een
brutale verkrachting van hun milieu, om te overleven".</font></p>


<p><font face="Arial">In dit gedachtengoed is het doorslaggevende
verschil met een dier, de mogelijkheid van de mens om de natuur met
behulp van technologische middelen in grote mate uit te buiten. De mens
put de aarde uit als een "parasiet" en des te hoger het technologisch
niveau van de uitbuiting, des te groter is de milieuvernietiging. Dit
'aangeboren' karakter van de mens komt overeen met het destructieve
karakter van het moderne industrie-systeem en daarmee is dit laatste
een 'natuurgegeven'. Volgens zulke ideeën kan het stellen van grenzen
aan de vernietiging inderdaad alleen maar bestaan uit het begrenzen van
de bevolkingsomvang.</font></p>


<p><font face="Arial">Exemplarisch voor het zojuist beschreven
denkmodel is ook het artikel "De tragiek van de Allmende" dat door
Garrett Hardin in 1968 in het Amerikaanse wetenschapsblad "Science"
werd gepubliceerd en nog steeds telkens opnieuw geciteerd wordt. Hardin
beweert dat het individuele gebruik van gemeenschappelijke goederen
sowieso zal leiden tot buitensporige exploitatie en op de lange duur
tot vernietiging. Zo stelt hij in zijn logica vast dat veebezitters de
allmenden overbeweiden, terwijl de privébezitters wel
verantwoordelijkheid zouden tonen voor de verzorging van de velden. Ook
gelooft hij dat staatscontrole over de bevolking te legitimeren valt
doordat voortplantingsvrijheid de gehele bevolking zou ruïneren (zie
Mertens 1991, blz. 168), want zonder controle van buitenaf vermeerderen
de mensen zich tot ze het milieu totaal vernietigd hebben.</font></p>


<p><font face="Arial">De waarschuwingen voor een 'overbevolking' van de
aarde funktioneren als afleiding van de milieuvernietiging die
veroorzaakt wordt door de mensen in de geïndustrialiseerde landen. Ze
leiden af van de wereldwijde onrechtvaardige verdeling van goederen.
Dramatische beelden van woestijn-uitbreiding, het kappen van tropisch
hout, dorheid en watersnood scheppen weliswaar een bewustzijn voor de
explosieve kracht van de actuele problemen in ontwikkelingslanden,
tegelijkertijd worden er echter angsten aangewakkerd. Het idee dat
mensen uit ontwikkelingslanden hun aandeel aan de welvaart van de
wereld opeisen of zelfs als vluchteling naar ons toekomen, zorgt eerder
voor een verspreiding van racistisch gedachtengoed dan dat er positieve
aanknopingspunten voor een andere omgang met de natuur door
gestimuleerd worden.</font></p>


<p><font face="Arial">Gezien de wereldwijde crisis gaat het momenteel
echter toch alleen om andere samenlevings-concepten. Het gaat niet
alleen om een betere verdeling van de rijkdom van de aarde, maar ook om
een andere omgang met de natuur waardoor duurzame ontwikkeling mogelijk
zou kunnen worden. Een nauwkeurig onderzoek naar de verhouding tussen
bevolkingsontwikkeling en milieu vereist daarom onderzoek op drie
niveaus. Op de eerste plaats de wereldwijde onrechtvaardige verdeling
van het verbruik van natuurlijke hulpbronnen. Op de tweede plaats het
ongelijke verbruik van goederen binnen de afzonderlijke landen. En op
de derde plaats komt de vraag, op welke wijze er bij een groeiende
bevolkingsomvang geproduceerd moet worden om iedereen te kunnen voeden,
ook wanneer de goederen rechtvaardig verdeeld zijn.</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Een kwestie van verdeling</i></b><br  />
Nog steeds verbruikt 20% van de wereldbevolking - dat zijn de mensen
die in de rijke geïndustrialiseerde landen leven - ongeveer 85 % van
alle wereldbronnen. Een volwassen Duitse burger verbruikt doorsnee per
jaar 45 maal zoveel energie als een Kenyaan en 23 maal zoveel als een
Indiër. Een Amerikaan verbruikt zelfs 72 maal zoveel energie als een
Kenyaan (Wichterich 1992, blz.64). Dit geldt eveneens voor het
waterverbruik. Dagelijks douchen, wc doorspoelen, was- en
vaatwasmachinegebruik, het wassen van auto's, voedselbereiding en het
besproeien van gazons, leiden ertoe dat mensen in industriële landen
een veelvoud gebruiken van het water dat mensen in ontwikkelingslanden
nodig hebben. De Amerikanen staan ook wat waterverbruik betreft op kop,
gevolgd door de Europeanen. De industriële landen verbruiken 75% van
alle fossiele brandstoffen (olie, kolen, hout) en ongeveer 90% van alle
CFK's. Daarmee is de bijdrage aan vervuiling van koolstof in de
atmosfeer van iedere industrieland-inwoner ongeveer 4 maal zo groot als
die van iemand uit een ontwikkelingsland (Wereldbevolkingsrapport 1993).</font></p>


<p><font face="Arial">De mensen in de industrielanden verbruiken
daarnaast ook natuurlijke hulpbronnen van de ontwikkelingslanden,
doordat goedkope grondstoffen en etenswaren daar vandaan geïmporteerd
worden. Hiermee exporteren de industrielanden als het ware een deel van
hun milieuvervuiling naar het Zuiden. De gevolgen voor het milieu door
de verbouw van koffie, katoen, thee, bloemen, fruit en groenten in
grote monoculturen zijn immers voor rekening van de landen in het
Zuiden, terwijl de 'vruchten' naar de industrielanden geëxporteerd en
goedkoop verkocht worden. Ook bij de ontginning van kolen en de
ertswinning blijven de verwoestingen, ontstaan door de exploitatie, in
het land van herkomst. Naast dit alles is er nog de export van afval
van industrielanden naar ontwikkelingslanden.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Onafhankelijk van een bepaalde
bevolkingsomvang, is ook het verbruik van bronnen binnen de
afzondelijke landen ongelijk verdeeld tussen invloedrijke en minder
invloedrijke bevolkingsgroepen. Door een verdergaande uitbreiding van
commerciële landbouw die in handen is van grootgrondbezitters,
overheden of buitenlandse ondernemingen, worden kleine boeren die
veelal zelfvoorzienend produceren, verdreven naar slechtere grond. Ze
zijn gedwongen deze grond te verbouwen en bos, waar ecosystemen nog in
tact zijn en waar negatieve effekten te voorspellen zijn, te gebruiken.
De 'goede' gronden worden ondertussen gebruikt en uitgeput ten bate van
de export.</font></p>


<p><font face="Arial">Sociale ongelijkheid en ecologische problemen
hangen nauw met elkaar samen. In een illustratieve studie heeft het
Centrum voor Wetenschap en Milieu in New-Delhi de samenhang tussen
sociale ongelijkheid, fout gelopen ontwikkelingspolitiek en
milieuvernietiging uitgewerkt: "Milieuvernietiging is nauw verbonden
met de in een samenleving toegestane manier waarop natuurlijke
hulpbronnen gebruikt worden. In een land als India met een hoge
bevolkingsdichtheid wordt iedere ecologische plek bezet voor het
economische of culturele levensonderhoud van een bevolkingsgroep. Als
deze plek vernietigd wordt of haar bronnen door machthebbers
toegeëigend worden, zullen deze onteigende groepen met zekerheid
lijden" (Centre for Science and Environment 1982, blz.116).</font></p>


<p><font face="Arial">Voor een grootgrondbezitter in Latijns-Amerika is
het geen probleem wanneer zijn veestapel de vlaktes overbeweiden. Hij
verdient sowieso genoeg en incasseert pacht van zijn afhankelijken. Een
kleine pachter daarentegen moet op zijn land ieder jaar genoeg
produceren om in eigen onderhoud te voorzien en de pacht op te brengen
(zie Mutter 1993). In India zijn landloze vrouwen gedwongen illegaal en
met omkoping van de boswachter, hout in beschermde bossen te
verzamelen, terwijl tegelijkertijd bossen aangelegd worden, met
staatsondersteuning, voor snelgroeiende, industrieel te benutten
houtsoorten (zie Wichterich 1988, blz 12 en ook Lachenmann 1992, blz.
83). In de Sahel-zone worden zelfs pinda's en groenten verbouwd op
voormalige weidevlaktes voor de export naar Europa, terwijl nomaden hun
kuddes steeds verder de woestijn in moeten drijven.</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>De draagkracht van de aarde</i></b><br  />
De verhouding tussen de toestand van het milieu en
bevolkingsontwikkeling lijkt uiterst complex. Niet alleen de verdeling
van natuurlijke hulpbronnen speelt een rol, maar ook beslissingen over
hoe de natuur, de bodem, het water, de grondstoffen en energie benut
worden. Worden er luxe-goederen geproduceerd, worden er artikelen van
het ene deel van de aarde op een hoog energievretende manier, naar een
ander deel getransporteerd, omdat daar een koopkrachtige
consumentengroep zit die het gehele jaar door aardbeien, sinaasappels,
kiwi's en ananas wil eten? Wordt aan de produktie van machines en
elektrische apparaten voorrang gegeven boven investeringen in de
landbouw? Wat is noodzakelijk? Wat is wenselijk? Welke levensstandaard
is menswaardig en moeten we ons aanmeten? Dit alles leidt tot de vraag:
hoeveel mensen zouden daadwerkelijk met een bepaalde levensstandaard -
waarbij een zo eerlijk mogelijke verdeling van goederen vooropgesteld
wordt - op de aarde kunnen leven?</font></p>


<p><font face="Arial">Experts van de FAO (Wereldvoedselorganisatie)
hebben in samenwerking met andere onderzoeksinstituten getracht hier
een zeer technisch antwoord op te geven. In zogenaamde
'draagkracht-onderzoeken' proberen ze de maximale inwoneraantallen te
bepalen die in de verschillende regio's van de wereld zouden kunnen
bestaan.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Voor dit doel werd van alle gebieden op
aarde de situatie van het milieu, de klimatologische omstandigheden en
de bodemgesteldheid onderzocht. Op basis van deze gegevens werd de
maximale produktiviteit van de landbouw berekend, waarbij men uitging
van bepaalde technologische voorwaarden. De maximaal te produceren
opbrengst werd vervolgens omgerekend in graaneenheden. Dat wil zeggen
dat alle mogelijk te verbouwen produkten - of het nu groente,
aardappels, gierst of vlees is - in graaneenheden werden omgezet, om ze
vervolgens in verhouding te zetten tot het benodigde voedsel voor de
bevolking op een gegeven moment. Dit benodigde voedsel werd bepaald
door een minimum aantal calorieën (aanbevolen door de
Wereldgezondheidsorganisatie) dat per hoofd van de bevolking nodig is.
In deze berekeningen is geen rekening gehouden met de verschillende
mogelijkheden qua draagkracht van de gebieden, of daar sprake is van
veeteelt of bijvoorbeeld van aardappelverbouw. Ook is het minimum aan
benodigd voedsel niet ingedeeld in de te onderscheiden bestanddelen die
noodzakelijk zijn om te overleven zoals eiwitten, vetten, koolhydraten
en mineralen.</font></p>


<p><font face="Arial">Desondanks leidden de onderzoeken tot de
conclusie dat de meeste landen in het jaar 2000 en daarna, op basis van
de natuurlijke omstandigheden, de mogelijkheid zouden hebben de
bevolking te voeden, ook wanneer deze in aantal toeneemt. Voor enkele
landen echter, met name Afrikaanse eilandstaten (Kaap-Verdië, Comoren,
Mauritius) en berglanden als Rwanda en Burundi, is er sprake van een
kritische situatie. In totaliteit schat de FAO dat de draagkracht van
de aarde 11 miljard mensen aan zou kunnen, twee keer zoveel mensen als
er nu op aarde leven (vgl. Mertens 1991, blz.194).</font></p>


<p><font face="Arial">Ondanks dit optimistische resultaat gaan de
onderzoeken helaas nauwelijks in op de relatie tussen mensen en hun
omgeving. Er werd enkel berekend welke hoeveelheden voedsel er in
bepaalde gebieden onder verschillende technologische voorwaarden kunnen
groeien. Criteria vormen het gebruik van irrigatie, bemesting,
pesticiden, de afmetingen van de akkers en het gebruik van tractoren en
andere machines. Daarbij werden noch de bepalende sociale problemen,
noch de ecologische problemen van de moderne landbouw, in acht genomen.
Maar alleen wanneer een gemoderniseerde of veranderde landbouw ook
arbeidsplaatsen en inkomen biedt aan de bevolking in een betreffend
gebied, kan deze landbouw pas de levensstandaard verbeteren. En alleen
wanneer de agrarische produktiemethoden niet het water, de lucht, bodem
en ander leven vernietigt, kan deze veranderende landbouw een
wenselijke ontwikkeling zijn.</font></p>


<p><font face="Arial">Voor een duurzame ontwikkeling hebben in ieder
geval de&nbsp; technisch vergevorderde agrarische systemen van de Groene
Revolutie [1] en de gemoderniseerde Europese landbouw afgedaan. Want de
gevolgen voor het milieu zijn zeer ernstig. Het hoge water- en
energieverbruik met kunstmest en pesticiden is op de lange duur
problematisch. Zo heeft het bewateren van de
hoge-opbrengst-rijstsoorten met water uit de diepe bronnen in Noord
India, er inmiddels toe geleid dat de waterbronnen van de mensen in de
omliggende dorpen uitgedroogd zijn. Ook ontstaat bij monoculturen al
snel bodemerosie en een noodzaak om steeds meer kunstmest te gebruiken.
De mest en het bezinksel in de grond van pesticiden verslechteren de
waterkwaliteit van de omgeving. Ze kunnen op de lange duur negatieve
gezondheidsgevolgen hebben voor de bevolking, in het bijzonder voor de
arbeidersters die er direct mee in aanraking komen. De besmetting door
pesticiden heeft er in India - in gebieden waar de Groene Revolutie
plaatsvond -&nbsp; ook toe geleid dat eenden, vissen en kikkers, die
belangrijk extra voedsel voor de bevolking betekenden, niet meer in het
water van de rijstvelden konden leven. In Ecuador moest vanwege het
hoge pesticidengebruik bij de bananenteelt delen van de krabben- en
garnalenkwekerijen aan de kustlijn opgegeven worden omdat de
watervervuiling te ernstig was (Frankfurter Rundschau, 11-1-1994, blz.
17).</font></p>


<p><font face="Arial">In Europese landbouwgebieden vormt
nitraatbezinksel in het grondwater en opervlakte wateren eveneens een
probleem: het water van verschillende plattelandsstreken is in ieder
geval voor zuigelingen en kleine kinderen niet meer te drinken. Ook de
voedingswaarde van het agrarisch-industrieel geproduceerde voedsel
verslechtert en de langdurige uitwerking hiervan op de gezondheid zijn
problematisch. De ervaringen in Europa met nitraathoudende groenten,
giftig fruit, hormoon-rundvlees en sinds kort met genetisch
gemanipuleerde voedingsmiddelen laten zien dat de problemen niet
opgelost kunnen worden door een kwantitatieve stijging van voedsel,
zelfs niet wanneer deze in theorie alle mensen genoeg te eten zou
geven. Het behoud van een levensvatbaar milieu, van het water, de
bossen en ook van gezonde en evenwichtige voeding zijn eveneens
voorwaarden voor ontwikkeling bij een groeiende wereldbevolking. Daarom
is de doorslaggevende vraag bij de gedachtengang over hoeveel mensen er
op de aarde kunnen leven, niet alleen die naar het aantal mensen, maar
vooral ook naar de wijze waarop er geproduceerd wordt. Het antwoord op
deze vraag kan alleen gegeven worden op regionaal niveau, waarbij
rekening gehouden wordt met de bevolking die op dat moment in een
bepaald gebied woont.</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Ecologisch werken - een politieke vraag</i></b><br  />
Bezitsverhoudingen, arbeidsverhoudingen en inkomensverdeling zijn in de
landbouw nauw verstrengeld met het milieu en bevolkingsontwikkeling.
Een hoog-technologische landbouw verzekert weliswaar een hoge
produktie, maar biedt in veel gevallen weinig arbeidsplaatsen en sluit
de mensen die vroeger het land bebouwd hebben uit van werk en inkomen.
De op rationalisatie gebaseerde techniek is vaak één van de oorzaken
waardoor bodemerosie en milieuvernietiging gestimuleerd wordt. Want
grote machines kunnen alleen op grote, kaal gemaaide vlaktes ingezet
worden. Daarom worden 'oneffenheden' zoals struikgewas en bomen
opgeofferd. Het gebruik van pesticiden schijnt rationeler te zijn dan
het vermoeiende en arbeidsintensieve schoffelen en hakken. Bemesten
schijnt effectiever dan tussendoor zaaien, wisselbouw en de grond af en
toe een tijdje braak te laten liggen.</font></p>


<p><font face="Arial">De maatregelen die genomen worden ter behoud van
het milieu en ter verzorging van de akkers is afhankelijk van wie de
grond bezit, wie over de produkten beslist en wie het werk verricht. En
vooral ook de vraag aan wie de voedingsmiddelen uiteindelijk ten goede
komen, hangt af van deze factoren. Multinationals concentreren zich
voornamelijk op die produkten waarmee op internationale markten winst
te behalen valt: pinda's en groente uit de Sahelzone, rundvlees uit
Latijns-Amerika, koffie, cacao en bananen uit Midden-Amerika, thee en
bloemen uit Oost-Afrika. En wanneer de bodem uitgeput is, de produkten
niet meer afzetbaar zijn of de lokale arbeidskrachten te duur worden,
bestaat er voor de multinationals nog altijd de mogelijkheid om uit te
wijken naar andere gebieden. De kleine boeren, de pachters en de
landarbeider(ster)s daarentegen zijn erop aangewezen dat ze zich kunnen
voeden van de grond in hun gebied, onder de gegeven
milieu-omstandigheden. Daarom hebben ze een persoonlijk, concreet
belang bij het behoud van het milieu.</font></p>


<p><font face="Arial">Maar het streven naar ecologische doelen mag voor
hen niet betekenen dat ze moeten afzien van hun huidige inkomen. De
omschakeling van boerenbedrijven naar milieuvriendelijke landbouw houdt
vaak in dat er een aantal jaren een terugloop van opbrengsten zal zijn,
dat er meer werk verricht moet worden en dat er ook meer investeringen
gepleegd worden. Een kleine boerin of boer aan de rand van het
bestaansminimum kan zich deze omschakeling zonder ondersteuning van
anderen niet veroorloven. Zij moeten ieder jaar produkten produceren
voor hun eigen voorziening en voor een afzet op de markt.</font></p>


<p><font face="Arial">De beslissing voor of tegen een geschikte
milieuvriendelijke produktie hangt dus niet alleen af van de
bevolkingsomvang en ook niet van de te verwachten bevolkingsgroei: het
is een politieke beslissing. Veel voorbeelden tonen aan dat
bezitsverhoudingen en arbeidsverdeling beslissend zijn voor de
produkten die verbouwd worden. Terwijl grootgrondbezitters en grote
bedrijven vruchten verbouwen voor de industrie en export, hebben kleine
boerinnen en boeren een voorkeur voor produkten voor eigen
levensonderhoud en voor het ruilen op de lokale markt.</font></p>


<p><font face="Arial">Ook tussen de seksen loopt de interesse voor
milieuverantwoorde produkten uiteen. Voorbeelden hiervoor zijn talrijke
conflicten over herbebossingsprojekten, over de aan te planten bomen en
het gebruik van het bos. Zowel binnen de Indiase Chipko-beweging in de
Himalaya als elders, schijnen mannen eerder geïnteresseerd te zijn in
financiële opbrengsten en pleiten voor fruitbomen, cashewnoten of
snelgroeiende houtbomen (Wichterich 1992, blz.72; Centre for Science
and Environment 1982, blz.183). Vrouwen daarentegen willen hun eigen
voorziening en die van hun families verzekeren. Zij pleiten voor
stookhout en vruchtbomen voor eigen gebruik.</font></p>


<p><font face="Arial"><b><i>Onderbevolking en milieuvernietiging</i></b><br  />
De trek naar de stad verslechtert de mogelijkheden voor het platteland
nog verder. Er ontstaan situaties waar het, niet vanwege
'overbevolking' maar vanwege een tekort aan arbeidskrachten, niet
langer mogelijk is milieuvriendelijke landbouw toe te passen. In veel
gebieden trekken vooral jonge mannen naar de steden en laten vrouwen,
ouderen en kinderen achter. Daar waar de grote export-bedrijven vooral
jonge meisjes werven, zoals in delen van Latijns-Amerika en Azië,
verlaten ook de vrouwen het platteland. Dit veroorzaakt vaak een
drastische geboorte-afname op het platteland en leidt daarmee tot een
tekort aan arbeidskrachten, terwijl er tegelijkertijd ook nog een
verdergaande verslechtering van het milieu plaatsvindt. Het gevolg is
een terugloop van de voedselproduktie en tevens een verwoesting van de
grond.</font></p>


<p><font face="Arial">Een voorbeeld van de samenhang tussen
onderbevolking en erosie is Zambia. Hier concentreert zich de bevolking
in steden rondom de kopermijnen. Slechts een klein gedeelte van de
grond wordt verbouwd. Voedingsmiddelen moeten voor een deel
geïmporteerd worden. En omdat er maar een klein deel van de bodem
gebruikt wordt voor landbouw, wordt er weinig gedaan aan het behoud van
de bodemvruchtbaarheid. Kleine boeren en boerinnen missen hiervoor de
financiële bronnen en de bezitters van grote boerderijen verlaten
onvruchtbare gronden en bebouwen een nieuwe vlakte elders (Blaikie
1985, blz.193).</font></p>


<p><font face="Arial">De slechte levensomstandigheden op het platteland
veroorzaken een vicieuze cirkel waarvan de gedupeerden vooral vrouwen
zijn. De migratie van mannen leidt tot een arbeidskracht-tekort
waardoor de akkerbouw verslechtert en de werkdruk van vrouwen verhoogt.
Het inkomen uit de landbouw daalt steeds verder, terwijl de bodemerosie
door ontbrekende tegenmaatregelen stijgt. Het gevolg is een structurele
achteruitgang van de ecologische omstandigheden (vgl. Centre for
Science and Environment 1982, blz.180).</font></p>


<p><font face="Arial">De vrouwen die op het platteland achterblijven,
ontbreekt het aan financiële middelen, voldoende arbeidskracht en aan
eigendomsrecht op grond, om ecologische landbouw te kunnen bedrijven.
Zo zou erosie en het wegdrijven van aarde voorkomen kunnen worden - ook
op hellingen - door het aanleggen van terrassen en beplantingen, door
het aanplanten van dicht struikgewas en tussenzaaiingen of door het
verbeteren van de vruchtbaarheid met bewateringssloten.</font></p>


<p><font face="Arial">Nieuwe en oude gewascombinaties zouden betere
resultaten kunnen opleveren. Een zorgvuldige keuze en samenstelling van
de te verbouwen planten in mengculturen en wisselbouw kan de bodem
duurzaam verbeteren. Bomen tussen de velden geven schaduw, reguleren de
waterhuishouding en kunnen onder omstandigheden zelfs brandhout en
voedsel opbrengen. De onderzoeken naar dergelijke duurzame
landbouwmethoden staan in veel landen nog in de kinderschoenen.
Traditionele gewoonten en kennis zouden samen met nieuwe ideeën
afgestemd moeten worden op de regionale omstandigheden.</font></p>


<p><font face="Arial">Vast staat dat milieubewuste landbouw alleen
succesvol kan zijn wanneer de bevolking - vrouwen en mannen - deelneemt
en er rekening met hen gehouden wordt. Daar waar vooral vrouwen, die
vechten voor hun bestaansminimum, ook nog eens de taak op hun schouders
krijgen om het milieu te beschermen, kunnen ecologische maatregelen
geen succes hebben. Want zonder beschikking te hebben over een eigen of
gemeenschappelijk stuk land, over de opbrengsten ervan en zonder
beslissingsrecht, gaan veel milieubeschermende maatregelen voorbij aan
hun behoeften. Hierbij maakt het niet uit of het nu gaat om
herbebossing, biogascontructies of zuinige ovens (vgl. Wichterich 1992,
blz.90). Waar vrouwen alleen maar nieuwe lasten op hun schouders
krijgen (zoals het onderhouden van bomen) of gestraft worden voor zaken
die van levensbelang zijn (zoals brandhout verzamelen) of wanneer zelfs
beweerd wordt dat ze uit liefde voor het milieu hun kindertal moeten
reduceren, wordt natuurbescherming iets dat zich tegen de mensen keert.</font></p>


<p><font face="Arial">Het is cynisch wanneer mensen in de industriële
landen uit zorg voor het tropisch regenwoud, het wereldklimaat en de
woestijnuitbreiding uitgerekend van de arme bevolkingen uit het Zuiden
eisen dat zij geen bos meer ontginnen voor akkerbouw, geen hout meer
verzamelen en hun vee niet meer op berghellingen of op andere
ongeschikte gebieden laten grazen. Want ze hebben vaak geen andere keus
om te overleven. Ook de eis om hun kindertal te verkleinen gaat voorbij
aan de dagelijkse realiteit, zolang kinderen belangrijke
arbeidskrachten zijn en zekerheden voor de oude dag en in geval van
ziektes bieden.</font></p>


<p><font face="Arial">Het afsluiten van natuurreservaten en het
verdrijven van de daar levende mensen is onderdeel van een politiek
waarin mensen en hun natuurlijke omgevingen opgedeeld worden in
"produktief" en "onproduktief". Natuurbescherming krijgt hier het
karakter van natuurbescherming tegen de mensen. In Europa bijvoorbeeld
moeten uitgerekend boeren in de economisch-zwakke gebieden hun akkers
braak laten liggen uit liefde voor de natuur, terwijl andere boeren in
de agro-industrie doorgaan met het verhogen van de boter- en melkberg
en hun roofbouw op de natuur voortzetten. De produktie wordt niet
gezamenlijk overgeschakeld op ecologische landbouw, dat misschien
minder winstgevend maar daarentegen wel duurzamer en
energie-effectiever is en gezondere voeding en levensomstandigheden
voortbrengt. Momenteel lijkt het veel meer de bedoeling te zijn, alles
aan natuurvernietiging en uitbuiting toe te staan waar dat economisch
rendabel is, terwijl in schijnbaar minder lucratieve omstreken de
mensen niets meer mogen produceren om zo de natuur te beschermen.</font></p>


<p><font face="Arial"><b>Noten:</b><br  />
[1]&nbsp; Groene Revolutie: De invoering van kapitaalintensieve landbouw in
de vorm van monoculturen, waarmee geproduceerd wordt voor de export.
Zelfvoorzienende landbouw werd hiermee vernietigd en daarmee de
bestaanszekerheid van veel kleine boeren. Een grote trek van het
platteland naar de stad was het gevolg.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font><font face="Arial"><b>Literatuur:</b><br  />

- Blaikie, Piers: The Political Economy of Soil Erosion in Developing Countries, London/New York 1985<br  />

- Centre for Science and Development: The State of India's Environment - A Citizens Report, New Delhi 1982<br  />

- idem, The State of India's Environment 1984-85. The Second Citizens Report, New Delhi 1985<br  />

- Deutsche Gesellschaft für die Vereinten Nationen: Die Zukunft sichern! Weltbevölkerungsbericht 1988, Bonn 1988<br  />

- idem, Vorrang für Frauen. Weltbevölkerungsbericht 1989, Bonn 1989<br  />
- idem, Das Individuum und die Welt - Bevölkerung, Migration und
Entwicklung in den neunziger Jahren, Weltbevölkerungsbe&nbsp; richt 1993,
Bonn 1993<br  />

- Mertens, Heide: Wunschkinder - Natur, Vernunft und Politik, Münster 1991<br  />

- Mertens, Heide: Politische Ökologie und globale Krisenszena rien. In: Peripherie, Nr.51/52 1993, pag. 137-154<br  />

- Mies, Maria: Patriarchat und Kapital - Frauen in der inter nationalen Arbeitsteilung, Zürich 1988<br  />
- Mutter, Theo: Umsetzungsbedingungen für Konzepte dauerhafter
landwirtschaftlicher Entwicklung im brasilianischen Nordos ten. In:
Peripherie, Nr. 51/52 1993, pag. 103-119<br  />

- Lachenmann, Gudrun: Frauen als gesellschaftliche Kraft im sozialen Wandel in Afrika. In: Peripherie, Nr. 51/52, pag. 74-93<br  />

- Odum, E. Pierre: Grundlagen der Ökologie, Bd. II, Stuttgart 1980<br  />

- Wichterich, Christa: Die Erde bemuttern - Frauen und Ökolo gie nach dem Erdgipfel in Rio, Heinrich-Böll-Stiftung, Köln 1992

- idem, Überlebenspragmatikerinnen - Ein Bein in der Subsis tenz, das andere in der Warenproduktion <br  />

- Erfahrungen mit Stammesfrauen in Indien. In: beiträge zur feministischen theorie und praxis, Nr. 23, 1988, pag. 9-21. </font></p> ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">236@http://biopolitiek.nl/pivot/</guid>
			<category>Helix</category>
			<pubDate>Fri, 04 Feb 2005 12:38:00 +0100</pubDate>
		</item>
		
		
		
		<item>
			<title>NAWOORD</title>
			<link>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=237&amp;w=helix</link>
			<comments>http://www.biopolitiek.nl/pivot/entry.php?id=237&amp;w=helix#comm</comments>
                        <description><![CDATA[ <font face="Arial">Waarom een brochure over een onderwerp waaraan
schijnbaar geen prioriteit meer wordt gegeven door Europese
radicaal-linkse (vrouwen)groepen? Dit is een belangrijke vraag, omdat
er in de jaren 80 veel aandacht is besteed aan nieuwe
voortplantingstechnieken, gentechnologie, anticonceptiemiddelen en
vruchtbaarheidscontrole in het Zuiden. Er zijn onderzoeken gedaan,
discussies gevoerd, voorlichtingsbijeenkomsten gegeven en (soms
militante) acties ondernomen. In Nederland verschenen o.a. de brochures
"Technologie als Wapen" (1985) en "Nederland in bevolkingspolitiek,
Bevolkingspolitiek in Nederland" (1989). In die jaren werd
bevolkingspolitiek op het gebied van vruchtbaarheid, gezien als één van
de speerpuntthema's tegen het patriarchale en kapitalistische proces.</font></p><p><font face="Arial">De feministische actiegroep Rote Zora - die in
Duitsland een aantal acties tegen gentechnologie en nieuwe
voortplantingstechnieken heeft ondernomen - beargumenteerde hun keuze
om zich in te zetten tegen bevolkingspolitiek als volgt: "Deze
technologieën vertegenwoordigen een patriarchale geweldsverhouding
waarbinnen de Heren (die elkaar hun functies toebedeeld hebben) de
schepping doordringen op een kwalitatief nieuw niveau, met de bedoeling
het leven commercieel uit te buiten, om op die manier hun winsten te
verhogen en de machtsstructuren opnieuw te verankeren" (2). Een ander
argument om bevolkingspolitiek destijds als speerpuntthema te kiezen,
was dat dit onderwerp de mogelijkheid bood een link te leggen tussen
vrouwen in het Noorden en vrouwen in het Zuiden. Er werd een koppeling
gemaakt tussen enerzijds de druk die hier in de rijke industrielanden
op ons wordt uitgeoefend om géén ongezonde, gehandicapte baby's op de
wereld te zetten en anderzijds de gewelddadige
geboortenbeperkingsprogramma's in het Zuiden. Solidariteit kon meer
inhoud krijgen, omdat er duidelijk sprake was van gezamenlijke belangen
in de strijd tegen bevolkingspolitiek, in de strijd tegen de idee dat
een mens slechts recht op leven heeft wanneer zij/hij 'economisch
produktief of nuttig' is.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Nu, ruim tien jaar later, heeft de lobby
die het recht op leven verbindt met economische 'nuttigheid' veel
terrein gewonnen. Desondanks zijn de acties - in het Noorden - tegen
bevolkingspolitiek en het nuttigheidsdenken, op een laag pitje gezet,
zo niet geheel opgegeven. Rote Zora geeft in haar brochure "Mili's Tanz
auf dem Eis" een aantal redenen waarom dit onderwerp van de politieke
agenda van westerse (vrouwen)groepen is verdwenen. Deze redenen zijn
volgens ons, voor een deel eveneens toepasbaar op de Nederlandse
situatie in de jaren 80. Rote Zora stelt dat enerzijds de analyses van
Links over economie, de rol van nieuwe technologieën, geweld en
onderdrukking tekort schoten. Er ontstond geen helder beeld over de
achtergronden van de sociaal-economische en technologische
ontwikkelingen. Anderzijds werden persoonlijke ervaringen met de nieuwe
ontwikkelingen, nauwelijks met elkaar besproken en uitgewerkt. Hierdoor
leidde de strijd niet tot nieuwe motivatie en werd het een doodlopende
weg. Daarnaast werd er ook van uitgegaan dat de bevolkingspolitieke
plannen in Noord en Zuid gedwarsboomd konden worden door de -op dat
moment- brede actiebeweging. Toen er desondanks weinig feitelijke
successen bleken te zijn geboekt, raakte men gedemotiveerd.</font></p>


<p><font face="Arial">In tegenstelling tot in de jaren 80 zien wij het
thema bevolkingspolitiek niet als een speerpuntthema, maar als een
overkoepelende term voor verschillende vormen van sociale politiek. We
hebben in deze brochure een link gelegd tussen bevolkingspolitiek en
kapitalistische ontwikkeling. Een link die in onze teksten een centrale
plaats inneemt. Bevolkingspolitiek zien we als een centraal thema,
omdat het deelthema's als vruchtbaarheidsregulering, migratiepolitiek,
bio-politiek en sociale afbraak-politiek in zich verenigt. Ons
uitgangspunt is "bestaansrecht voor iedereen" en we zien
bevolkingspolitiek als de politiek die van bovenaf opgelegd wordt om
mensen in te passen in de kapitalistische productie- en levenswijze.
Wie niet in dit maatschappijmodel kan of wil leven, wordt beschouwd als
overbodig, onbruikbaar, lanterfanter, gelukzoeker, zielepoot of
'looser'. Bevolkingspolitiek is de politiek die tegengesteld is aan
bestaansrecht voor iedereen.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">De situatie in Nederland is een geheel
andere dan 10 à 15 jaar geleden. Technieken voor prenatale diagnostiek
en IVF zijn inmiddels geheel ingeburgerd. De concepten van
'internationale solidariteit' en 'wij vrouwen' zijn verdwenen. Van
solidariteit is geen sprake meer. De herstrukturering - waarbij nieuwe
gebieden in ons leven gecommercialiseerd worden, de lonen dalen,
arbeidsvoorwaarden verslechteren en sociale voorzieningen afgebroken
worden - is in alle hevigheid gaande. In de afgelopen 10 jaar is de
radikaal-linkse beweging, zoals deze vanaf het einde van de jaren 70
tot eind jaren 80 bestond, voor een groot deel verdwenen. Een aantal
groepen (bijvoorbeeld de Duitse groep FeLS - Für eine Linke Strömung)
hebben waardevolle aanzetten gegeven waarin aanknopingspunten gegeven
worden voor nieuwe organisatievormen en oriëntatiepunten voor links.
Hierbij wordt door hen een strukturele uitwisseling van praktische
ervaringen voorgesteld; zowel&nbsp; t.a.v. akties, als t.a.v. van de
veranderingen in ons dagelijks leven (flexi-arbeid, afrbraak sociale
voorzieningen, het leven van vluchtelingen/migranten in de
illegaliteit..). Tegelijkertijd kan gekeken worden hoe de
ontwikkelingen ingeschat en geanalyseerd kunnen worden, met als doel
zicht te krijgen op de zwakke plekken, c.q. momenten in de
ontwikkelingsprocessen. Na discussies over het vormgeven van onze
politiek - hoe beperkt deze ook is - en over de ervaringen die we tot
nu toe hebben opgedaan in verschillende linkse groepen, hebben we
(Helix) een soort checklist gemaakt die als hulpmiddel kan dienen voor
onze aktiviteiten en publikaties.</font></p>
<font face="Arial"> 

&nbsp;

</font>
<p><font face="Arial">-&nbsp;&nbsp; Wat heeft de aktiviteit met jezelf te maken? Komt je eigen motivatie/ belang naar voren?<br  />

-&nbsp;&nbsp; Is er sprake van een internationalistisch uitgangspunt?<br  />
&nbsp;&nbsp;&nbsp; Wordt er een verband gelegd tussen wereldwijde mobilisatie,
arbeidsmigratie, verdrijvings- en bevolkingspolitiek? Worden deze zaken
gezien als basis van een imperialistische programma?<br  />
-&nbsp;&nbsp; Is de aktiviteit van onderop georganiseerd? Ben je zelf onderdeel
van de 'doelgroep'? Is het georganiseerd door bijv. vrouwen- en
vluchtelingenzelforganisaties? <br  />

-&nbsp;&nbsp;&nbsp; Fixeert de aktiviteit zich op het regeringsbeleid? Zo ja, hoe zou dit anders kunnen?<br  />

-&nbsp;&nbsp; Vormt de aktiviteit geen verlengstuk van de overheid?<br  />
-&nbsp;&nbsp; Is er expliciet aandacht voor anti-patriarchale en anti-racistisch
uitgangspunten? Thematiseert de aktiviteit bijv. sexistische uitbuiting
en patriarchale onderdrukking van (vluchtelingen)vrouwen? Of
thematiseert het bijv. de slechte leefomstandigheden vluchtelingen in
AZC's, vluchtelingengevangenissen?<br  />

-&nbsp;&nbsp; Wordt er dialectisch gewerkt/ gedacht/ geanalyseerd?<br  />

-&nbsp;&nbsp; Is de aktiviteit konfronterend/ offensief?<br  />

&nbsp;&nbsp;&nbsp; Worden de verantwoordelijken bij naam genoemd?<br  />

&nbsp;&nbsp;&nbsp; Heeft het een mobiliserende uitstraling (bijv. tegen uitzetting van vluchtelingen(vrouwen)?<br  />

-&nbsp;&nbsp; Zit er een langere termijn gedachte/ planning achter?</font></p>


<p><font face="Arial">In 1992 bij het uitbrengen van de eerste
Helix-brochure werd vermeld dat we een reeks zouden maken, bestaande
uit 4 delen. Dit is dus het laatste deel in de serie, hoewel het niet
ondenkbaar is dat we vaker iets zullen publiceren. Het doel van de
brochure-reeks is het ontwikkelen van een politieke
maatschappij-analyse. We zien een dergelijke analyse niet als iets
statisch. Integendeel, het is een dynamisch, dialectisch proces door
discussies, nieuwe inzichten, nieuwe ontwikkelingen en nieuwe
ervaringen. Dat ook onze visie op bevolkingspolitiek aan veranderingen
onderhevig is, wordt zichtbaar wanneer de vier verschillende
Helix-brochures naast elkaar gelegd worden.</font></p>


<p><font face="Arial">Terugkijkend op het Helix-project is het voor
onszelf leerzaam en inspirerend geweest. We vinden het echter jammer
dat we tot nu toe slechts enkele reacties hebben ontvangen op de
voorgaande delen. Dat heeft wellicht te maken met de manier waarop we
de brochures (niet) gepresenteerd hebben. Of misschien komt het doordat
we nooit expliciet gevraagd hebben om commentaar. Dat doen we graag
alsnog, want we staan open voor kritiek en zijn nieuwsgierig naar wat
anderen van onze inbreng vinden.</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">Helix is een kleine groep mensen die
regelmatig een aantal dagen bij elkaar komt. We lezen en bespreken
artikelen en wisselen ervaringen uit over de dingen die we in ons
dagelijks leven en politieke werk (o.a. in vakbondswerk,
vrouwenorganisaties, gehandicaptenzorg en
vluchtelingen-ondersteuningswerk) tegenkomen. Dit doen we met het doel
elkaar te stimuleren en samen een politieke richting te ontwikkelen.
Aanvankelijk werkten we op ad hoc-basis. Ondertussen proberen we meer
lange-termijn-doelen te stellen en elkaar daarin blijvend te motiveren
door ervaringen uit te wisselen en gemeenschappelijke studie.&nbsp;</font></p>
<font face="Arial"> 

</font>
<p><font face="Arial">In de 3 voorgaande brochures werd
achtereenvolgens aandacht besteed aan de thema's: eugenetica,
jodenvervolging, 'euthanasie' tijdens en na het nationaal-socialisme,
het aborteren van foetussen met een handicap of ziekte, migratie en de
situatie van vluchtelingen. Deel 1 was een algemene inleiding, deel 2
ging in op het deelthema's sterfte, deel 3 op migratie en dit laatste
deel gaat over geboorte. We hebben geprobeerd deze onderwerpen vanuit
een historisch en revolutionair-links perspectief aan de orde te
stellen. We hopen middels onze brochure-reeks een zinvolle bijdrage te
leveren aan een nieuwe oriëntatie van radikaal-links.</font></p> ]]></description>
			<guid isPermaLink="false">237@http://biopolitiek.nl/pivot/</guid>
			<category>Helix</category>
			<pubDate>Thu, 03 Feb 2005 12:39:00 +0100</pubDate>
		</item>
		
		
		
	</channel>
</rss>
