10 Oktober '10 741 W POLITIEK IN CONVERGERENDE TECHNOLOGIEEN:
Rapport voor de Cogem van Prof. dr. Guido Ruivenkamp en Dr. ir. Joost Jongerden
Een verdienstelijke poging te komen tot debat en zeggenschap over ingrijpende technologische ontwikkelingen waarover Werkplaats Biopolitiek ook berichtte
Het rapport bespreekt maatschappelijke aspecten in processen die ten grondslag liggen aan het
samenkomen van Nanotechnologie (N), Biotechnologie (B), Informatica (I) en Cognitieve
technologieën (C) en gaat na op welke wijze de overheid kan interveniëren in het complexe en
dynamische proces van de convergentie van de NBIC technologieën.
De auteurs zeggen dat ‘het leven van het individu door de convergentie van de NBIC technologieën gevormd wordt; dat leef- en werkomgevingen veranderen en dat het leven zelf als maakbaar wordt beschouwd’. Zij concluderen ‘dat de maatschappelijke
transformaties in de convergerende technologieën zo verreikend zijn, dat de huidige overheidsmiddelen om invloed uit te oefenen op de convergerende technologieën inadequaat zijn’. Een voorbeeld uit het rapport van Ruivenkamp en Jongerden is dat het onderscheid tussen levende en niet levende materie sterk vervaagd en dat dit zelfs gevolgen kan hebben voor hoe we tegen mensen en ‘mensverbetering’ aankijken: ‘Dit roept vragen op voor beleidsmakers of er hier een humanisering van machines plaatsvindt, en een dehumanisering van de mens, en of er een nieuwe klasse van techno-humans ontstaat’. Voor uitleg zie hieronder bij *.
sociale denkplaatsen
Om meer grip te krijgen op deze ingrijpende technologie pleiten Ruivenkamp en Jongerden voor ‘sociale denkplaatsen’ die zich ‘primair richten op de maatschappelijke doelen van waaruit het technisch handelen wordt georganiseerd’. Niet de techniek in het middelpunt zetten dus, maar het gesprek over waar we heen willen en wat technologie daarin kan betekenen. Dat betekent ook democratisering van de plaatsen waar technologie wordt ontwikkeld. Kijk kritisch naar hoe beslissingen in de technologie-ontwikkeling genomen worden. De auteurs verwoorden het zo: ‘Derhalve beperkt de institutionele innovatie zich niet tot een verbreding van groepen actoren die op basis van gelijkwaardigheid kunnen deelnemen in de denkplaatsen maar betreft vooral een inhoudelijke reflectie op de politiek in de convergentie en het formuleren van nieuwe sociaal-technologische trajecten.’
Het hele rapport is te lezen op:
http://www.cogem.net/ContentFiles/CGM%202010-04%20Convergerende%20technologieen.pdf
*
‘De nanonisering van de convergentie/divergentie van technologieën (.....) doet ook het onderscheid tussen levende en niet-levende materie vervagen. De nanonisering van convergerende technologieën maakt het mogelijk levende- en niet-levende materie met elkaar te verbinden en hieruit nieuwe vormen van leven of machines met kenmerken van leven te maken. Hierdoor komt de traditionele dichotomie van natuur en technologie onder druk te staan. Dit contrast tussen natuur - opgevat als een op zichzelf staande realiteit - en technologie - als een creatie van de mens - was oorspronkelijk heel duidelijk aanwezig bij micro-organismen.
Zij behoorden tot het domein van de natuur. Door de ontwikkeling van bio- en nanotechnologie vervagen de scheidslijnen en ontstaat er een veelheid van relaties en netwerken rondom de technologie-natuur verhouding. In dit kader zijn de opmerkingen van de filosoof Alfred Nordman van belang die erop wees dat nanotechnologie als knooppunt van de convergentie / divergentie van BIC technologieën een wezenlijke verschuiving teweeg brengt in de technologie-natuur dichotomie. Op het moment dat het via bio/nanotechnologie mogelijk wordt om producten van de natuur op het niveau van moleculen te vervaardigen, verdwijnt de technologie-natuur dichotomie en ontstaat er een nieuwe realiteit van een in elkaar overlopende technologie-natuur interactie. Deze specifieke, vluchtige (fluid), in elkaar
overlopende technologie-natuur interactie wordt een cruciaal aspect voor de constructie en
werking van de nano-netwerken (Nordmann, 2006:89). Dit roept vragen op voor beleidsmakers of er hier een humanisering van machines plaatsvindt, en een dehumanisering van de mens, en of er een nieuwe klasse van techno-humans ontstaat. Samenhangend met deze discussie is de vraag of in het discours van het verbeteren van de mens(elijke pretaties)
(human enhancement) verbetering de norm wordt, en of dat niet impliceert een toekomstige
tweedeling van verbeterde- en niet-verbeterde mensen en de weg opent naar nieuwe vormen
van stratificaties in de samenleving, bijvoorbeeld tussen diegenen die zich wel en geen
verbetering kunnen veroorloven. Kortom: De uitholling van het onderscheid tussen nietleven
en leven brengt vele twijfels met zich mee en dwingt beleidsmakers te reflecteren op de
wijze waarop beleid geformuleerd kan worden t.a.v. de vervagende technologie-natuur
dichotomie die de nanonisering van de convergentie impliceert (zie Hst III, Par III.1).